Het mooiste boek van het jaar?

Een maand of wat geleden plaatste ik op deze site een stukje over een boek dat ik beneden de maat vond. Ik werd toen door reageerders een geschifte leugenaar genoemd, knotsgek, een smadelijke fantast, en een lafaard zonder benul van fatsoen. O, de charme van digitaal publiceren! Gelukkig wist het thuisfront de zaak te relativeren door op te merken dat ik ten eerste (vrouw) zelf was begonnen met kaatsen, en dus de bal wel een beetje had kunnen verwachten, en dat we ten tweede (zoon), gezien de heersende mores in soortgelijke aangelegenheden, nog blij mochten zijn dat we geen cobra’s door de brievenbus hadden gekregen.

Van dat stukje neem ik niets terug, maar wel verheugt het me dat ik onlangs ben gestuit op een aanleiding om die negatieve bijdrage te laten volgen door een positieve. Want dat ik me soms geroepen voel om aan te geven waarom iets in mijn ogen niet deugt, neemt niet weg dat ook ik het veel aardiger vind om aan te geven waarom iets wel deugt. Zelfs al is het een halve eeuw te laat.

Het zit zo. Sinds enige tijd lees ik geregeld boeken uit mijn geboortejaar. Je zou het een nieuwe hobby kunnen noemen. Ik ben geïnteresseerd in de tijd waarin ik ter wereld kwam, ik wil er alles over weten, en daartoe bedien ik me (onder andere) van literatuur, in mijn geval dus boeken uit 1977.

De groslijst die ik heb samengesteld – een leuk speurwerkje – bestaat inmiddels uit 222 titels, en daar pik ik er af en toe een uit. Er staan bekende namen op (Mulisch, Claus), maar ook minder bekende (Lut Ureel, Helen Mellaart). Aangezien het in mijn aard ligt om, als veel mensen naar rechts gaan, naar links te willen, trekt vooral de tweede categorie me aan. Hoe obscuurder, hoe beter. Dat klinkt heel romantisch – wie weet ontdek ik een onbekend meesterwerk! – maar in de praktijk komt het erop neer dat ik al heel wat middelmaat heb moeten doorworstelen. Om van de boeken die zelfs dat niveau niet halen, want die zitten er ook bij, nog te zwijgen.

Ik begon al moedeloos te worden van de middelmaat, en de vele mooie woorden op de achterzijde van al die knollen, bedoeld om lezers te doen geloven dat ze sappige citroenen in handen hebben. Mijn keuze baseren op oude recensies hielp ook weinig. Meermaals moest ik van een door boekbesprekers hooggeprezen werkje concluderen dat het niet meer dan wind in een broodzak was, in het beste geval net een tikje boven het maaiveld uitstekend. Dit is een positief stukje, daarom geef ik geen voorbeelden, maar jongejonge, wat vallen boekbesprekers soms door de mand.

En toen gebeurde het toch. Een pareltje tussen de zwijnerij. Iets wat ik niet kende. Een schrijver van wie ik nooit had gehoord. Ik zal het maar opbiechten, de reden dat ik besloot De vossejacht van Willy Spillebeen te gaan lezen, was dat ik die achternaam zo grappig vond. Kinderachtig, zeker, maar je moet je keuze ergens op baseren.

De vossejacht is de geschiedenis van een streek. Deze streek, als ik het goed heb begrepen, ligt in het zuidwesten van België, op de kaart een stukje links van Kortrijk, daar waar Vlaanderen zonder de buffer van Wallonië aan Frankrijk grenst. Platteland. Boerenland. Hier groeit hoofdpersoon Jaak op, samen met zijn neef Ray en zijn vriend Hanske. Er is nog een vriend, Cel, maar die gaat vrij snel dood. Dat is een terugkerend motief in De vossejacht, veel personages gaan dood. Spoiler: Jaak is zo’n beetje de enige die het einde van het boek haalt.

Spillebeen / Jaak vertelt de geschiedenis van zijn streek in meerdere in elkaar grijpende verhalen. Het boek is kunstig gecomponeerd. Meteen de eerste van deze verhalen, het verhaal van Achiel, de vader van Hanske, is mijn favoriet. Dat is een klein minpuntje van dit boek, het is als een Touretappe waarin renners ’s morgens al de Alpe d’Huez beklimmen, en dan ’s middags nog een paar andere bergen, minder hoog. Maar dit terzijde.

Achiel is een boerenknecht die als enige in de omgeving achterblijft wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. Echt bang is hij niet, wat zal er nou helemaal gebeuren, in deze uithoek? Ik ga hier verder niks over zeggen – lees het vooral zelf – behalve dit: meeslepender getuigenis van de Eerste Wereldoorlog heb ik nooit gelezen.

Een ander hoogtepunt is het verhaal van Maurice, de vader van Ray. Maurice wordt opgeroepen als soldaat aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Opnieuw is de streek strijdtoneel. Opnieuw komen vreemde soldaten alles overhoophalen. Maurice loopt een trauma op dat hij nooit weet te verwerken. Na de oorlog hangt hij zich op, in twee etappes. In de bunker lukt het niet, hij dondert naar beneden. In de boomgaard lukt het wel. Dit detail, deze zelfmoord in twee pogingen, zegt mij dat het hier niet om een verzonnen verhaaltje gaat.

Jaak zelf is de zoon van de boer, en dus iets hoger op de maatschappelijke ladder. Hij gaat studeren, wordt leraar in de stad, en loopt daar jaren later zijn oude vriend Hanske tegen het lijf. Deze ontmoeting brengt Jaak terug in zijn geboortestreek, schier onherkenbaar veranderd, want geconfisqueerd door het leger en militair domein geworden.

Het is waar dat die gedeeltes van het boek waarin Jaak aan zelfanalyse doet, en met de duivels uit zijn verleden probeert af te rekenen, niet de beste zijn. Die hadden wat korter gemogen. Maar er staat veel tegenover. Het personage Suzy bijvoorbeeld, een meisje dat zonder gewetensbezwaren met Duitse soldaten in het bos gaat wandelen, en wandelen niet alleen. Jaak raakt na de oorlog in de ban van deze Suzy, tot ergernis van zijn vader (‘Eenmaal een hoer, altijd een hoer’). De verbeten pogingen van neef Ray om het onomkeerbare om te keren. Het mislukte huwelijk van Hanske, en de weinig eervolle, indirecte rol van Jaak in die mislukking. Soldaat Maurice die zich vlak boven een Duitse officier verborgen houdt, terwijl deze laatste bezig is met een, hoe zal ik het zeggen, Privatsache. In de kolom ‘opmerkingen’ die ik aan mijn groslijst van boeken uit 1977 heb toegevoegd, heb ik genoteerd: ‘zit veel vaart in, meestendeels boeiend’. En zo is het.

De vossejacht is goed, hier en daar zelfs uitstekend geschreven, in bijkans foutloos Nederlands. Dit laatste is opvallend, ik heb veel gelezen, veel Vlaams ook, maar zo keurig als Willy Spillebeen zijn taal beheerst, dat kom je in Belgische boeken uit die tijd niet vaak tegen. Het is onmiskenbaar Vlaams, maar het is correct. Overigens heb ik in Nederlandse kranten geen bespreking van De vossejacht kunnen vinden. Blijkbaar is Spillebeen er nooit in geslaagd, zoals dat bijvoorbeeld Ruyslinck en Raes wel lukte, om in Nederland voet aan de grond te krijgen. Maar het is niet terecht dat De vossejacht hier destijds is doodgezwegen. Nederlandse boekbesprekers hadden best wat meer moeite mogen doen, dit vakwerk mogen opmerken in de stroom van dilettantisme. Menig boek van Ruyslinck en Raes, en nog anderen, verbleekt naast deze vossejacht. En dat ikzelf ook nooit van Willy Spillebeen had gehoord, erken ik als literaire tekortkoming, waarvoor ik me met deze laudatio, negenenveertig jaar na dato, enigszins hoop te revancheren.

Owen Donkers

Willy Spillebeen – De vossejacht. Davidsfonds, Leuven. 286 blz. (Het boek is op Boekwinkeltjes nog ruim verkrijgbaar.)