Recensie: C.O. Jellema – Letterlijk bewijs van een geleefd bestaan
Een man van schroom
C.O. Jellema (1936-2003), de klassieke dichter en essayist van Oosterhouw in het Noord-Groningse Leens schrijvend achter een nieuwerwetse computer. Je kunt het je haast niet voorstellen, maar diens literair erfgenaam en biograaf Gerben Wynia stipt het terloops aan in het voorwoord van Letterlijk bewijs van een geleefd bestaan. Deze bundeling van niet eerder gepubliceerde brieven van Jellema aan vrienden en bekenden verschijnt woensdag 9 september, de datum waarop Jellema negentig jaar zou zijn geworden.
Het dichterlijke denken, waarmee Oek de Jong, een van de vrienden, hem in een van de brieven complimenteert, kwam steeds van een man van grote schroom en oneindige afwegingen. Hij bediende zich misschien wel juist daarom graag van (bijzonder) papier en een vulpen, omdat die hem tijd voor contemplatie lieten. Voor de kladversies van zijn poëzie was er dan wel de balpen, maar voor het openen van brieven een verzilverde briefopener met daarop een leeuw met zijn poten op het familiewapen. Toen zijn vulpen een keer gerepareerd moest worden, schreef hij noodgedwongen een brief met een balpen, waarvoor hij zich bij de geadresseerde meteen uitvoerig excuseerde.
In die stille wereld achter hoge bomen werken met een computer, moet voor hem haast hebben aangevoeld als een ernstige breuk met de bewust gekozen levenswandel. Wynia merkt op dat hij eind 2000, dus ruim twee jaar voor Jellema’s dood, de eerste geprinte brief ontving. Dat was mogelijk omdat Jellema het apparaat wilde gebruiken voor zijn vertaling van de mystieke geschriften van Meister Eckhart en Johannes Tauler. Het bleek tot Jellema’s eigen verbazing een revelatie. Niet eerder had hij zich zo vrij en gemakkelijk kunnen uiten, mogelijk omdat er geen vrees meer hoefde te bestaan voor lelijke brieven met doorhalingen. Iets wat volgens Wynia overigens nauwelijks gebeurde.
C. O. Jellema was een stilist in leven en werken. Dat is geen nieuw inzicht, Wynia liet dat ook al uitkomen in zijn biografie van de dichter, Aan rozen denk ik in de winter (2022). Toen Jellema in 1984 een keer met een door alcohol, maar vooral medicijnen, verward hoofd tegen een verkeersbord reed en daarvoor werd aangehouden, schreef hij, ook opgenomen in deze bundel, zelfs een scrupuleuze en schuldbewuste brief aan de officier van justitie in Groningen. Het is hier minder een Fremdkörper dan je in eerste instantie zou denken. Het toont juist heel fraai de schroomvallige en consciëntieus levende man die hij was.
Bij de uitvaart van zijn jongere broer Max in 2000, kon Jellema zijn bedeesdheid voor even overwinnen, schreef hij aan Oek de Jong, ‘gedragen door de anderen, de rouw en de plek’. Het is een van de vele opmerkingen in de opgenomen brieven over zijn door zichzelf zo verfoeide timiditeit en onmacht het leven te omarmen.
Wynia heeft de brieven op informatieve en toegankelijke manier voorzien van talrijke uitgebreide noten, die de enigmatische Jellema enigszins duiden en in perspectief plaatsen, ook voor degenen die de breed opgezette biografie niet lazen. Daarnaast verhelderen ze de personen, plekken en tijdstippen waarop de vulpen in beweging kwam. Eerst in Zuidhorn, later in Leens, waar het ’s nachts nog stiller is dan overdag.
De titel Letterlijk bewijs van een geleefd bestaan, geciteerd uit uit een van de brieven, refereert aan gedachten die Jellema sowieso vaak had en die steeds terugkeren in zijn poëzie en niet minder in zijn brieven. In deze bundel zijn die ook gericht aan onder anderen Tom van Deel, Leonard Nolens, Mathijs Röling, Michaël Zeeman en Ad Zuiderent. Aan diens oud-student Ron Awater:
Nu krijg je deze brief niet meer voor Pinksteren. Na de laatste zin kon ik opeens niet verder: het is wel zo, maar ook heel anders. Bijvoorbeeld: altijd zorgelijk en bang voor de toekomst en daarom voorbij leven aan het moment. Bij heel veel dingen denken: als ik dat nou maar eerst achter de rug heb, dan…Of: leven met het voortdurend, toch nooit geheel bewust gemaakte gevoel dat ‘het’ nog moet komen. Wat voor ‘het’? Het grote, de vervulling, erkenning, roem misschien, of de sprookjesprins – alle namen passen erop: het. (…) als ik soms rouw om mijn jonge jaren is het niet omdat ze voorbij zijn, maar omdat ik ze nooit heb beleefd, zo voel ik het.
Aan de Nijmeegse hoogleraar Paul Sars geeft hij aan hoe een terloopse uitlating van de vroegere bewoonster van Oosterhouw, ‘We hebben er echt geleefd’, hem heeft geraakt. Als een haast existentiële opmerking:
(…) ten tijde van dat interview en nog steeds in deze mooie zomer en nazomer de vraag, voor mezelf: was het echte leven niet een ander leven geweest. Een leven meer met open ogen, open armen, een open hart. En met veel en veel minder angst voor situaties, voor mensen, voor het leven, voor wat er zou kunnen gebeuren, het duister.
De openhartigheid van Jellema in de brieven, ook over zijn homoseksuele gevoelens, verraadt een diepe behoefte zichzelf tegenover anderen te verklaren en begrepen te worden. Het verheldert mede waarom hij daar graag het geduldige papier en de altijd loyale vulpen voor gebruikte. Ernstig ingaan op niet als onvoorwaardelijk ervaren moederliefde, zoals in een brief aan Awater en de vraag wat je welbeschouwd onder volwassenheid moet verstaan, in hetzelfde epistel, zijn er veelzeggende voorbeelden van.
Een serieus minpunt aan de bundel zijn de erg vage fotoindrukken van de fysieke brieven. Ze lijken op weinig professionele wijze gefotografeerd en afgewerkt, waardoor ze niet of nauwelijks een meerwaarde hebben. Maar de inhoud van de steeds heel doordacht geformuleerde brieven en daarmee de verdere ‘inkleuring’ van mens en dichter, brengen Jellema andermaal dichterbij.
André Keikes
C.O. Jellema – Letterlijk bewijs van een geleefd bestaan. Brieven aan vrienden en bekenden. Bezorgd door Gerben Wynia. Uitgeverij Flanor, Lent. 372 blz. € 27,50. Te bestellen via uitgeverijflanor.nl

