Vulkaanuitbarsting in Giethoorn

Actueel blijft het: de veiligheid van meiden en vrouwen in de openbare ruimte. Dolle Mina’s gaan de straat op om die op te eisen. Schrijvers verwerken het in verhalen en non-fictie. Wie de oogst van de afgelopen jaren een beetje kan overzien, ziet veel veelal vrouwelijke schrijvers die hier aandacht voor vragen. Denk alleen al aan de heftige debuutroman Dodeman van Uschi Cop, waarin geweld tegen vrouwen in al zijn vormen wordt gethematiseerd. Ook de debuutroman van Lidewey van Noord, die eerder een aantal non-fictieboeken en een novelle schreef, is zo’n roman. De as komt eerst, heet hij en dan denk je natuurlijk meteen aan een vulkaanuitbarsting. Woede. Een volstrekt logische emotie bij zo’n onderwerp. Van Noords boek gaat over een vrouw met een geweld gerelateerd trauma.

Om maar met het begin te beginnen: het motto van de roman is opvallend. Het is een dialoog uit de film Three Billboards Outside Ebbing, Missouri, waarin de moeder van een verkracht en vermoord meisje tevergeefs bij de politiechef vraagt om vaart in het onderzoek naar de dader. Maar er zijn volgens de chef wetten die wat zij voorstelt in de weg staan, beter gezegd: die mannen beschermt. Vervolgens begint het verhaal en maken we kennis met Hedwig, een vrouw van tegen de veertig die als redacteur voor een grote literaire uitgeverij werkt. Hedwig heeft zich teruggetrokken op een eiland in Giethoorn. Dat heeft wat weg van een paradox. Het is een dorp middenin de veenmeren en rietlanden van Overijssel, dus ver weg van de drukte van de Randstad, maar de historiek met de sloten en boogbruggen heeft Giethoorn bij uitstek een toeristische trekpleister gemaakt die door miljoenen buitenlandse toeristen wordt bezocht. Dus zo rustig is het niet. ‘Nog een paar weken, dan keert de rust terug’, is de eerste regel van de roman.

Hedwig zit daar niet zomaar. Op een afgelegen eiland in een dorp heeft ze afstand kunnen nemen van wat haar vijftien jaar eerder is overkomen. Ze was toen zelf toerist, reisde backpackend door Thailand. Op een dag komt ze na een treinreis van tien uur in het donker aan in de voormalige hoofdstad Ayutthaya, bekend om de tientallen ruïnes van oude Boeddhistische tempels. Ze vindt een hostel en gaat nog snel wat eten bij een restaurantje op tien minuten lopen. ‘Waarom ben je in je eentje op reis? Is dat niet eng en eenzaam?’, vragen twee Engelse jongens haar in het restaurant. Als ze later terugloopt, voelt ze zich inderdaad voor het eerst een beetje eenzaam. En dan verdwaalt ze. Uitgerekend een politieagent ontvoert haar op zijn brommer en randt haar op een afgelegen plek bij een tempel aan.

Een diepe, blinde woede rijst op in Hedwigs lichaam. Ze móét loskomen. De hardgespierde arm van de man duwt tegen haar nek, die hand op haar mond, dit mag niet gebeuren, ze mag dit niet laten gebeuren. Ze probeert zich aan hem te ontworstelen, de reisgids schiet uit haar hand, ze voelt zijn nagels over haar gezicht schrapen, in haar hals, zijn vingers omklemmen haar arm als de klauw van een roofvogel een prooi, maar ze is sterk, sterker dan ze is, sterker dan ze ooit is geweest. De man verliest zijn pet.

Uiteindelijk weet ze op tijd los te komen en bereikt ze een politiepost waar ze haar verhaal kan doen. Ook als ze weer in Nederland is, houdt ze haar telefoon in de gaten, hopend dat de Thaise politie belt om te zeggen dat ze hem te pakken hebben, dat ze haar een foto mailen zodat zij kan zeggen: ‘ja dat is hem!’. Dat ze hem levenslang opsluiten, dat ze hem… Maar ze hoort niets meer. Haar wraakgevoelens vinden geen uitweg.

Terug naar het heden. Hedwig heeft intensieve therapieën gevolgd (‘Drie keer per week zwemles in de verraderlijke stroming van haar eigen herinneringen’) en denkt dat zij het gebeurde in Thailand achter zich heeft kunnen laten. Wel merkt ze dat ze nog steeds een verstoorde verhouding met mannen heeft. Al tien jaar gaat ze om met Markus, een ‘buitenman’, schapenhouder en type vrijbuiter die zich niet wil binden:

Hun relatie hangt scheef, hij laat haar bungelen, maar ze accepteert het, omdat de enige optie is om Markus los te laten, en dat lukt haar al tien jaar niet. Want als ze bij hem is, kan ze ademen. […] Ze raakt om de haverklap haar lichaam kwijt, maar Markus geeft het haar weer terug, op die korte momenten is ze heel.

Toch wil ze eigenlijk gewoon een man die haar op de eerste plek zet. Door dat besef, realiseert Hedwig zich hoe ze mannen in feite al jaren op afstand houdt, haar lichaam kwijt is en de drang te willen verdwijnen die daaruit volgt. Als ze op de verjaardag van een goede vriendin een oudere man tegenkomt, waar ze die nacht nog seks mee heeft, besluit ze in de loop van de weken erna, voorzichtig, met horten en stoten, iets op te bouwen met hem. Het zet van alles op scherp en ze wordt eens te meer geconfronteerd met wat Ayutthaya met haar heeft gedaan. Heeft ze dat nou wel echt goed verwerkt? Er komt een woede in haar los die uiteindelijk tot een uitbarsting leidt.

De as komt eerst is een beknopte, krachtige roman: korte, nuchtere zinnen, een heldere drieslag als opbouw, sterke dialogen en beeldende scènes. Juist de bijna poëtische beschrijvingen van de natuur en de vogels op en rond het eiland waarop Hedwig woont, contrasteren mooi met haar onderhuids kolkende angst en woede. Dodeman van Uschi Cop mag dan als roman veelomvattender, heftiger en zwaarder zijn, met het kortere en lichtere De as komt eerst maakt Van Noord vlijmscherp duidelijk wat een aanranding teweeg brengt en kapot maakt in het leven van een vrouw.

Martijn Nicolaas

Lidewey van Noord – De as komt eerst. De Arbeiderspers, Amsterdam. 168 blz. € 19,99.