Recensie: Marek Šindelka – Systemen van tederheid
Geen perfectie zonder imperfecties
Na verschillende geëngageerde romans keert Marek Šindelka (1984) in Systemen van tederheid de blik naar binnen. De Tsjechische auteur gebruikt een klassieke ‘Vatersuche’ – een zoektocht naar een verdwenen vader – om zijn hoofdpersonage vorm te geven en te ontleden. Centraal in die ontleding staat een bezetenheid met systematiek, een drang naar perfectie. Maar perfectionisme bestaat niet zonder imperfecties. Dat geldt ook voor het boek zelf. Hoe scherp, beeldend en intiem Šindelka ook schrijft, Systemen van tederheid is niet zonder tekortkomingen.
Zowat zeven jaar heeft Šindelka naar eigen zeggen aan zijn nieuwe roman gewerkt. Hij gooit het ook over een heel andere boeg. Na romans als Materiaalmoeheid (2018) en Klimaatverdriet (2020) – romans vol engagement die de actualiteit op de hielen zitten – werd Šindelka steevast ‘de stem van een generatie’ genoemd. Maar de Tsjech wil graag loskomen van dat gewichtige etiket en van de plicht van het ‘betrokken’ schrijverschap. Systemen van tederheid is dan ook een heel andere roman, met een heel ander perspectief.
De leegte, het zwarte gat invullen die een verdwenen vader achterlaat. Dat is de kern en het leidmotief. Een autobiografisch geïnspireerd leidmotief, want Šindelka verloor zijn eigen vader toen hij amper twee jaar was. In Systemen van tederheid volgen we Ada Fischerová, de dochter van de getalenteerde pianist Bohumil Fischer. Bohumil verwerft bekendheid door twee albums, maar gaat ten onder aan een soort overdreven drang naar systematiek. Door obsessief te oefenen, maakt ‘ruïneert’ hij zijn linkerhand. Het betekent het einde van zijn muzikale carrière en uit schaamte en verbittering verliest hij zich in de alcohol en verlaat hij zijn gezin. ‘Ada’s vader was een briljante pianist, later een alcoholist en nog later was hij niets meer’, klinkt het bitter samengevat.
Dochter Ada, die de drang naar perfectie van haar vader heeft geërfd, probeert de leegte die haar vader heeft achtergelaten zelf in te vullen. Het is een krampachtige reconstructie van haar vader, vol liefdevolle pogingen om in de gunst te blijven van een vaderfiguur die er niet meer is. Die intieme passages behoren tot de mooiste van het boek. Extra schrijnend zijn de momenten waarop Ada vaststelt dat de weinige herinneringen die ze aan haar vader heeft soms onjuist blijken. ‘Het geheugen is een hopeloos ineffectief instrument. Het geheugen liegt en bedriegt […]’, staat er. Het doet wat denken aan een citaat uit Max, Mischa & het Tet-offensief van Johan Harstad, namelijk dat het geheugen ‘een archief met onbetrouwbare medewerkers’ is, of – wat dichter bij huis – aan Cees Nooteboom die de herinnering bestempelde als ‘een hond die gaat liggen waar hij wil’.
Šindelka maakt de zoektocht van Ada vaak tot een stilistisch genot. Op bijna elke pagina krijg je als lezer een herinnering dat Šindelka debuteerde als dichter. Zo heeft hij het bijvoorbeeld over mos dat ‘als vuil onder de nagels’ onder het dak is gekropen of over een hand als ‘een wandelende kathedraal van vingers’. In een passage over hommels die getraumatiseerd worden door spinnen (jaja, hommels die getraumatiseerd worden door spinnen) gooit Šindelka alle remmen los:
Ze zijn bang voor de schaduw, omdat die doet denken aan de zwarte achtpotige dood waaraan ze op het nippertje zijn ontkomen. Ze zijn bang voor de schaduw, voor zichzelf, er manifesteert zich een bijzonder soort insectenmelancholie, ze vergeten hun nesten, hun kroost, alsof ze opeens de ijdelheid van al het handelen inzien, ze stoppen met het verzamelen van stuifmeel en nectar uit bloemen en zweven louter als donzige, droevig zoemende atomen tussen de stengels of zwerven lukraak over de avondweide.
Ondanks die stilistische hoogstandjes, trouwens erg soepel vertaald door Edgar de Bruin, en het intieme, invoelbare universum dat Šindelka uitbouwt, vertoont het verhaal ook een aantal imperfecties. Zo blijft de figuur van de moeder (Milena) jammerlijk onderbelicht en gaat Šindelka bij momenten wel erg hard door op muziektheorie en op schaakmaneuvers. Met die uitweidingen, zoals uitgebreide stukken over een schaakmachine en over het leven van componist Skrjabin, wil Šindelka het muzikale fuga-motief dat inhoudelijk in het verhaal zit ook spiegelen in de structuur van de roman Een interessant experiment, maar soms leiden de uitweidingen de aandacht van de lezer ook gewoon weg van de emotionele kern van het boek, met name van de eenzame vaderzoektocht van Ada.
In interviews geeft Šindelka toe dat hij zelf ook een perfectionist is, maar dat het gezinsleven met drie jonge kinderen dat perfectionisme permanent onder druk zet. Misschien kan Šindelka wel wat gemoedsrust putten uit de berustende vaststelling die Ada in het boek doet, namelijk dat het leven ook vol ‘onzuiverheden’ en ‘ongrijpbare foutjes’ zit. En wat voor het leven geldt, geldt ook voor Systemen van tederheid.
Maarten De Rijk
Marek Šindelka – Systemen van tederheid. Uit het Tsjechisch vertaald door Edgar de Bruin. Das Mag, Amsterdam. 326 blz. € 26,99.
