Een daad van liefdevolle ontluistering

Is het boek van Sigrid Bousset over de Vlaamse Ivo Michiels een schrijversbiografie, een dubbelbiografie of een memoir? Wat ik haar niet vertelde is een fascinerende terugblik op een getourmenteerd leven in de kunst en een tragisch huwelijk. Het is vooral een fijnzinnig verhaal over een biografische en persoonlijke zoektocht naar de plaats van vrouwen naast mannelijke kunstenaars.

De ‘haar’ in de titel ‘Wat ik haar niet vertelde’, is Sigrid Bousset zelf. Ze kende Ivo Michiels, pseudoniem van Henri (Rik) Ceuppens (1923-2012), al sinds haar twaalfde. Michiels was de ‘fetisj-auteur’ van haar vader. Criticus en literatuurwetenschapper Hugo Bousset had zijn proefschrift gewijd aan Michiels beroemdste roman: Het boek alfa. Bousset en zijn gezin waren bevriend met de auteur en diens derde vrouw Christiane Faes en bezochten hen vaak in het Franse Le Barroux. Bousset noemt Faes zelfs haar ‘tweede moeder’. Bousset ging ook letteren studeren en is als dramaturg en curator actief in de wereld van theater en literatuur. Dagenlang sprak ze met de schrijver voor haar boek Meer dan ik mij herinner, gesprekken met Ivo Michiels (2011). Hij vertelde Bousset echter lang niet alles over zijn jeugd, zijn eerste en tweede huwelijk en zijn zwarte oorlogsverleden.

Ik had eerlijk gezegd nog nooit een roman gelezen van Ivo Michiels, maar hij blijkt een onvermoeibaar vernieuwer in litteratuur, film en kunst. Hij was de man die de Vlaamse literatuur ‘heeft bevrijd van de wiegende weiden’ met zijn experimentele romans en zijn tiendelige ‘Journal Brut’-cyclus waarin hij op zijn eigen ervaringen reflecteert. ‘Het boek alfa werd een cultboek, een sleutelmoment in de ontwikkeling van de naoorlogse romankunst,’ zegt Bousset. Het is nog altijd verplichte lectuur op Vlaamse middelbare scholen. Ze is niet over al zijn boeken zo positief. Ze legt uit waarom: ‘Uit angst dat zijn proza wordt onderschat gaat hij steeds weer uitleggen hoe nieuw het is, iets wat hij tot het eind zal blijven doen.’ Als Michiels het kunstdiscours even achterwege laat, las ze zijn werk wel ‘met liefde’. Bousset schrijft enthousiast over Michiels werk voor de moderne kunst en vooral over zijn films. De film ‘Meeuwen sterven in de haven’ noemt ze een wonder. ‘Eenmalig. Onderbelicht, en toch van het belangrijkste dat Ivo heeft gerealiseerd.’ Voor zijn scenario van Een tuin tussen hond en wolf kreeg Michiels in 1978, nog voor de film was gemaakt, onverwacht de driejaarlijkse Staatsprijs voor verhalend proza.

Ivo Michiels was ook de man die voortdurend in de spotlight stond en een verliteratuurd leven leidde als redacteur en als criticus. Hij kreeg veel waardering, maar werd ook bespot. Ook al zat hij hoog op de literaire apenrots, hij bleef altijd onzeker: als autodidact en uit angst dat de verkeerde keuzes die hij maakte in de Tweede Wereldoorlog publiek bekend zouden worden. Tijdgenoten wisten wel dat hij veel verborgen hield en dat beeld cultiveerde hij. Michiels was de masker-man, de voortvluchtige verteller, de schuldwacht, een wandelend geheim. Hij ontleende aan zijn verzwegen trauma ook inspiratie. In een essay over het geheugen schrijft Michiels dat het onderscheid tussen verslag en verzinsel niet langer van belang is eens het woord, het Schrift, zich erover heeft ontfermd. Wat je tot (geschreven) herinnering máákt, is evenwaardig aan wat je (wel of niet geschreven), in je bewaart. Kortom: ‘Wat geschreven is, bestáát, het is gebeurd.’

Dat is mooi in de literatuur, maar lastig in het echte leven. Michiels onduidelijke oorlogsverleden, zijn vaderschap van zoon Guido, zijn echte naam: Christiane Faes wist amper iets van de man met wie ze als heel jonge vrouw trouwde. Zij wilde haar bestemming vinden in het bijstaan van haar schrijvende man. Dat voornemen heeft haar veel verdriet en frustratie bezorgd, maar ook enkele stralende rode-loper-momenten. Michiels vond haar toewijding vanzelfsprekend en hield haar heel kort. Toen ze zelf literaire aspiraties kreeg, inde hij het geld voor haar artikel en vertelde dat haar niet eens. Een volgend artikel kwam er niet. Faes probeerde vervolgens andere schrijversvrouwen te beïnvloeden, zoals Ilse Logie, de vrouw van Paul de Wispelaere:

Ze was op Ilse blijven inpraten dat ze haar academische carrière beter opgaf om zich te wijden aan haar oudere, schrijvende man. Dat had ze tijdens telefoongesprekken later nog vaak herhaald. Alsof ze haar eigen eenzaamheid wilde verlichten door andere vrouwen mee te trekken in adoratie en dienstbaarheid.

Hoezeer Bousset ook meeleeft met de zichzelf opofferende Christiane Faes, ze laat ook zien dat ze met haar geëxalteerde toewijding een benauwende claim op Ivo Michiels legde: hij moest wél succesvol blijven publiceren.

Mede-biografen kunnen veel inspiratie halen uit dit boek. Bousset schrijft niet alleen mooi, maar reflecteert ook expliciet op de twijfels en vragen van de biograaf, die jaren van zijn of haar leven wijdt aan de reconstructie van een leven terwijl je zelf slechts één leven te leiden hebt. Ze beschrijft de pijn als je teleurgesteld bent in je biografeling en noemt haar werk een daad van liefdevolle ontluistering.

Begrijpen is een proces, ook in de betekenis van ‘begrip opbrengen’. Je niet vastrijden in oordelen of eindigen met onwrikbare waarheden. Maar toch. Ivo was uit zijn mythische constructie getuimeld, en ik daardoor ook uit de zijne.

En ze laat zien hoe helend een biografisch project voor de nabestaanden kan zijn. Het is zinvol dat ze, al luisterend Guido zijn vader teruggeeft: ‘al pratend wordt hij de zoon van Ivo Michiels.’

Wat ik haar niet vertelde is tot slot een eerlijk zelfonderzoek naar de tijd waarin Bousset zelf opgroeide, als jonge vrouw in een bubbel van mannelijke auteurs. Zelfs zij, geboren in 1969, werd ooit aangekondigd als de vrouw van haar schrijvende man [Stefan Hertmans] en de dochter van de criticus. ‘Niets over wie ik zelf was en wat ik deed.’ En ze stelt zichzelf de vraag: ‘Deed ik niet nog steeds, een half leven later, met alle functies die ik uitoefende, mijn best om aan de verwachtingen van vaders te voldoen? Waarom schrijf ik dit boek?’ Ze geeft het antwoord zelf: ‘Ik dacht aan Ivo. Aan Christiane. De rode loper. Zij waren mijn doden. Ik zocht hen schrijvend op. Onderweg ontmoette ik mezelf.’
Ik vond het een voorrecht om als lezer mee te mogen leven met dit proces.

Petra Teunissen

Sigrid Bousset – Wat ik haar niet vertelde. De Bezige Bij, Amsterdam. 480 blz. € 29,99.