Geachte afwezigen, in het bijzonder burgemeester Marcouch,

Toen ik afgelopen maart gevraagd werd om stadsdichter te worden van uw mooie stad, was ik vanzelfsprekend gevleid. Het gebeurde in de trein, ter hoogte van Nijmegen, en ik had net in Arnhem stilgestaan. Mijn hele leven al kijk ik nauwkeuriger uit het raam wanneer de Rijn opdoemt. Als Vitesse speelt blijf ik thuis, twee keer per jaar, omdat ze tegen Feyenoord spelen. Burgers’ Zoo is een spectaculaire dierentuin.

Het stadsdichterschap is een verantwoordelijke functie. Je vertegenwoordigt een plek waarin duizenden mensen wonen. Acrobaten. Restaurateurs. Nikkelhandelaren. Huishoudelijke hulpen. Engineers. Molenaars. ARNHEM. De term ‘stadsdichter’ suggereert dat je iets te zeggen hebt over ál die mensen. Het gaat niet om jou, noch om je bubbel: je moet met dezelfde ogen een nieuwe wereld zien. Dat is niet iedereen gegeven en de eerste vraag die je aan jezelf zou moeten stellen is of het jou wél gegeven is. Het antwoord vind je, zoals altijd, in je naasten. Mijn vader vond mij geschikt, mijn hond juichte het toe.

Mijn doel in de komende jaren van stadsdichterschap is het bereiken van de gewone man (x/v/m). Ik wil dat hij me ook snappen kan. En ik hem. Dat we samen rijden in dezelfde begripstram. Ik ben nog aan het kijken hoe ik deze afstemming kan laten ontstaan. Misschien is het met een simpele stijlkeuze zo gedaan.

Deze functie voelt als het eindpunt van een lange weg. De afgelopen jaren heb ik al de nodige ervaring opgedaan met het inperken van mijn poëtisch kader door aan allerhande poetry slams mee te doen. Sinds een tijdje schrijf ik in ruil voor een naar acrobatenbegrippen grote som geld versjes voor op de borden van de perrons. Naar het schijnt is de bezettingsgraad van de plekken aan het gangpad van de trein nog nooit zo hoog geweest.

De komende periode zal ik mij zo goed als mogelijk verdiepen in de geschiedenis van Arnhem. Ik zal mij daarbij niet laten leiden door professioneel opgeleide gidsen, maar door Annie van de viskraam, Theo van de gymzaal en Lale van het gemeenteloket. Het échte verhaal van Arnhem vertellen. Hen aan het woord laten wier stemmen traditioneel gezien gesmoord zijn geweest. Het wonderlijke uit het alledaagse halen. Het kleine uit het grote.

Ik dank u allen voor het vertrouwen en breng hierbij mijn eerste gedicht ten gehore, dat ik schreef in een huisje van het Openluchtmuseum. Waarvoor ik het Openluchtmuseum bedank.

*

Marcel

park sonsbeek glinstert van een mist die al sinds gisteren haar kleedje
op het èrnhems-gele gras heeft gelegd en langzaam, totaal
tot rust gekomen, begint op te lossen, een beetje
zoals theo janssen onopgemerkt uit zijn voetbalcarrière verdween

een vlak land te zijn, nederland, het scheen
maar in deze stad voelt men zich door gelderland bezeten
dat is een hobbelig bestaan, op mijn fiets vaker gestaan dan gezeten

rechtop in de wind, links de weg
rechts de bomen, kweekt men kuiten als dromen
die in de regel voor het slapen uit gaan

heel de wereld op een paar vierkante meter is het dat ik zeg,
na kramp en zweet het èrnhems-gele goud genomen,

‘zoo’

het zoeken van de zwartstaartprairiehond
het zwijgen van de bonobo

 

Martijn van Bruggen
Stadsdichter van Arnhem