Waardevolle input

Het was een inktzwarte week voor niet-schrijvend schrijvend Nederland. Klap na klap kregen AI-auteurs te verwerken.

Michael Vonk liep blijvend letsel op; weg was zijn shortlistnominatie voor de Joost Zwagerman Essayprijs, foetsie waren zijn gedichten op Meander, ‘au revoir’ zei Shortreads, ‘geef hier die schrijfwedstrijdprijs’ klapte PEN/GAU eroverheen. De enige trofee die nog overbleef was die voor de meest gecancelde schrijver in de lage landen, met schrijver tussen aanhalingstekens.

Ook Kaatje Gijbels raakte haar shortlistnominatie voor de Joost Zwagerman Essayprijs kwijt. De nominatie van 2026 dan, want die van 2025 bleef staan, terwijl daar toch niet minder AI-gebruik aan te pas kwam. Een andere meevaller is dat haar manager Oscar van Gelderen onveranderlijk van zins lijkt een boekcontract voor haar in de wacht te slepen, getuige het nog immer prijken van Gijbels op zijn website. Misschien spelen de twee onder een hoedje, want zelfs de biografie van Gijbels op Van Gelderens platform is denkelijk met AI gefabriceerd. Ze heeft meer drietrapsraketten dan de NASA:

Kaatje Gijbels (1981) is schrijver en essayist. In haar werk onderzoekt zij hoe culturele systemen zich nestelen in het lichaam, in verlangen en in taal. Haar teksten bewegen zich op het snijvlak van literatuur, sociologie en machtstheorie, met bijzondere aandacht voor culturele blindheid, genderlogica en intergenerationele overdracht.

Et cetera, et cetera. Een auteur slaagt er niet in haar eigen bio te schrijven en haar manager ook niet. Sla uw slag bij dit nog ongeclaimde vat vol hedendaags engagement, uitgeverijen, en vertrouw vooral niet op die stomme honderdprocentverstrooiingen van Pangram!

In een statement op haar website schrijft Gijbels dat ze AI slechts als redacteur gebruikte voor haar Essayprijs-inzending, aan de hand van een ‘copyediting-, een verfijning- en spelling en grammaticaprompt’. Dit moet voor bewijs doorgaan dat ze zelf de auteur is. Om – gok ik – waarachtiger over te komen en aan te tonen dat ze wel degelijk kan schrijven, heeft Gijbels voor haar statement geen gebruik gemaakt van AI. Wat ik me afvraag is: als je zonder AI prima kan schrijven, waarom schrijf je dan met AI?

Een uitgebreide uiteenzetting wilde ik maken over dit vraagstuk, maar toen las ik Gijbels’ statement en bleek ze helemaal niet prima te kunnen schrijven zonder AI. Het is een tekst van 460 woorden die lijkt opgedregd uit een sloot, met zinnen en frases als:

‘Uit de bepalingen van de regels heb ik geconcludeerd dat redactionele ondersteuning niet in strijd zijn.’

‘Ik hoop dat de ontstane discussie er toe zal bijdragen tot het bepalen van een algemeen beleid daaromtrent.’

‘(…) over hoe we met z’n allen in de wereld omgaan met mannelijke kwetsbaarheid.’

‘(…) maar ook de gedachtengang en research komt van mij uit.’

Bij schrijven hoort fouten maken. Mijn eerste versie van dit stuk staat bol van de missers en zelfs als het online wordt gezet – haast, haast – zijn er verbeteringen te maken. Maar die máák ik dan ook, want dat is schrijverschap: taalgevoel hebben en jezelf kunnen redigeren. Gijbels’ statement staat al sinds 16 oktober online en nog steeds vloeken de woorden je tegemoet.

In het buitenland ging het deze week niet veel beter met de niet-schrijvende schrijvers. De Haïtiaans-Canadese auteur Thélyson Orélien was al grotendeels gecanceld na zijn aanvankelijke zegetocht met C’était ça ou mourir, maar zijn Canadese uitgever bleef tot op heden achter hem staan. Volgens Orélien was er sprake van een misverstand en had hij geen enkele vorm van AI gebruikt: Pangram was gewoon racistisch. Dat is een veelgeplaatste en serieus te nemen kanttekening bij alle AI-toepassingen: de teksten en beelden van mensen van kleur zijn minder vaak als input gebruikt, waardoor de foutmarge van AI groter is. Oréliens uitgeverij vroeg desalniettemin, ongetwijfeld licht gegeneerd, of ze de eerdere versies van zijn manuscript mocht laten onderzoeken. Daaruit kwamen wel degelijk AI-sporen naar boven en Orélien gaf ineens toch toe AI te hebben gebruikt (verwaarloosbaar, heus waar!). Zo trok ook Les Éditions du Boréal de handen af van deze deerniswekkende figuur.

Het was een inktzwarte week.

Wellicht daarom schreef Coco Jongsma van de Boekenkrant de volgende verbindende woorden omtrent Michael Vonk en Kaatje Gijbels:

De gretigheid waarmee nu enkele literaire blogs de beschuldigde essayisten met naam en toenaam noemen getuigt niet van enige coulance naar de jeugdige inzenders. (…) Jonge mensen staan onder grote druk en kunnen soms minder slimme keuzes maken. Laten we er geen hetze van maken en jonge mensen beschermen tegen dit soort fouten, maar het is ook belangrijk om te blijven onthouden dat programma’s als Pangram niet altijd 100 procent juist zijn.

Ter verduidelijking: we hebben het hier over ‘jeugdige inzenders’ uit 1992 (Vonk) en 1981 (Gijbels). Ik stam uit 1999 en ben kaal. Daarnaast begrijpt Jongsma niet dat Tzum Vonk en Gijbels juist een enorme dienst bewijst door over hen te schrijven: ieder artikel levert waardevolle input op voor de nieuwste versies van hun AI.

Martijn van Bruggen