Recensie: Dirk Rochtus – Van links naar rechts
Dwarse Ossi’s
De verkiezingen voor de parlementen van drie Oost-Duitse deelstaten die vorige maand werden gehouden, kenden opmerkelijke winnaars. In Sachsen-Anhalt en Mecklenburg-Vorpommern zegevierde de rechts-radicale Alternative für Deutschland (AfD), terwijl in Berlijn Die Linke er met de winst vandoor ging. AfD en Die Linke zijn allebei partijen die in het totaal van de Duitse politiek (nog) geen doorslaggevende rol spelen. Dat roept de vraag op waarom deze flankpartijen zo’n grote aantrekkingskracht uitoefenen op de Ossi’s, de inwoners van de voormalige Duitse Democratische Republiek.
Voor een antwoord op die vraag duikt de Vlaamse historicus Dirk Rochtus in de politieke en maatschappelijke geschiedenis van de DDR en van de vijf neue Bunderländer die na de Duitse eenwording in 1990 op het grondgebied van de voormalige Arbeiter-und-Bauernstaat werden gevormd. Daarbij richt hij zijn vizier vooral op afwijkende geluiden in de DDR, die ook na de eenwording bleven doorklinken:
Terwijl verzet in de DDR zich na een neergeslagen volksopstand in 1953 vooral intellectueel ontlaadde, is de huidige misnoegdheid in het oosten van Duitsland zich na massale stakingen bij het begin van het maatschappelijke transformatieproces in stemgedrag voor de radicalen van links tot rechts beginnen te vertalen.
In de hoofdstukken over de DDR passeren heel wat dwarsdenkers en dissidenten, binnen én buiten de almachtige staatspartij SED, de revue. Al die criticasters liepen steevast stuk op de muur van de beklemmende communistische staatsideologie. Wie eenmaal aan de fundamenten daarvan begon te morrelen, vormde immers een gevaar voor de almacht van de partij, zoals ook bleek bij de Hongaarse opstand in 1956 en de Praagse Lente in 1968: ‘Dat was nu eenmaal het dilemma van elke hervormingspoging die van boven kwam, of het nu in 1956 of 1968 was of in de jaren van de perestrojka zou zijn. De leidende rol van de partij stond buiten kijf.’
In het geval van de DDR kwam daar nog een extra complicatie bij. De DDR rechtvaardigde haar bestaan als ‘andere’ Duitse staat, naast de kapitalistische Bondsrepubliek, met een beroep op het socialisme. Als dat zou wegvallen, dan zou de DDR immers geen enkele bestaansgrond meer hebben: ‘Polen zou zelfs als kapitalistische staat nog altijd Polen zijn; de DDR zou samen met het socialisme haar bestaansrecht als aparte Duitse staat verliezen.’
En dus werden alle pogingen tot kritiek op het ‘reëel bestaande socialisme’ in de DDR vroeg of laat de nek omgedraaid. Dissidenten werden gevangengezet of soms zelfs ter dood gebracht, en in latere jaren eenvoudig ‘geloodst’ naar de Bondsrepubliek, de zogeheten Ausbürgerung.
Na de val van de Berlijnse Muur en de Duitse eenwording maakten de Oost-Duitsers niet alleen kennis met vrijwel onbegrensde vrijheid, maar ook met de kille kanten van het kapitalisme. De DDR-economie werd op rigoureuze wijze gesaneerd, wat leidde tot massaontslagen en bestaansonzekerheid voor grote delen van de bevolking.
In hun ontreddering zochten veel Oost-Duitsers aanvankelijk hun heil bij een partij die als een van de weinige voor hun belangen opkwam: de PDS, later Die Linke, was weliswaar voortgekomen uit de DDR-staatspartij SED, maar had de meeste communistische veren afgeschud en zei pal te staan voor de sociale zekerheid die de DDR haar burgers had verleend.
In de loop van de jaren slaagde de PDS-Die Linke erin haar groeiende populariteit te verzilveren en kon ze, ondanks aanvankelijke weerzin van de gevestigde partijen, in enkele Oost-Duitse deelstaten gaan meeregeren. Daarmee verloor ze echter haar imago als ‘tegenkracht’ en werd ze meer en meer gezien als onderdeel van het establishment: ‘De partij had opgehouden de Systemfrage op te werpen; ze formuleerde geen alternatief meer voor het bestaande kapitalistische systeem.’
In dat gat sprong vervolgens de rechts-radicale AfD, die inmiddels de gunst van steeds meer kiezers, niet alleen in Oost- maar ook in West-Duitsland, voor zich weet te winnen. Ook in rechts-radicale kringen vindt inmiddels een herwaardering plaats van de immateriële waarden waarop de DDR gegrondvest was, constateert Rochtus:
Het gaat om orde en cultuurpolitiek, om traditionele waarden die West-Duitsland in ‘1968’, het jaar van de cultureel-politieke revolte, overboord heeft geworpen. Het oosten van Duitsland verschijnt als een bolwerk tegen de globalisering van de zogenaamde decadentie en het ‘zielloze’ liberalisme van de Bondsrepubliek waar het multiculturalisme de eigenheid van de Duitse natie heeft verdrongen. […] Het oosten van Duitsland wordt dan ook geprezen als ‘das bessere Deutschland’, zoals ook de zelfomschrijving van de DDR luidde.
Dirk Rochtus weet met dit boek het eigen karakter van de (voormalige) DDR scherp te schetsen. Jammer is alleen dat hij vooral inzoemt op politieke en maatschappelijke prominenten en vrijwel geen ruimte biedt aan geluiden uit de samenleving. Met een wat meer journalistieke invalshoek had deze academische analyse zeker aan zeggingskracht gewonnen.
Roeland Sprey
Dirk Rochtus – Van links naar rechts. Het oosten van Duitsland op de dool. Ertsberg, Antwerpen. 256 blz. € 27,50.
