Je bent er niet meer dus je bent er niet meer

De zelfgekozen dood van je beste vriend niet lang na de terroristische aanslagen op de Twin Towers in New York. Dat is wat je een radicaal einde van je adolescentie mag noemen. Zeker als je het enigszins in verband met elkaar wil zien. En dat doet Harold Polis, schrijver en uitgever, in zijn op het titelblad simpelweg als ‘verhaal’ omschreven memoir Dode bladeren. Een door veel genres heen meanderende terugblik op zijn eigen jaren als jongere, student en adspirant volwassene in relatie tot zijn jeugdvriend P. en niet minder de snel veranderende wereld om hen heen.

Wat voor ieder individu vergelijkbaar moet zijn bij een zelfdoding is de vraag: wat had ik er aan kunnen doen, ben ik nalatig geweest, heb ik er een rol in gespeeld? Bij Polis, die al ruim voor P.’s zelfgekozen dood geen contact meer met hem had, ligt dat wat minder voor de hand. Toch blijft het lot van zijn vriend van destijds hem zijn verdere leven intrigeren. Hij verzette zich lang tegen het idee alles weer te gaan omwoelen, ‘Je bent er niet meer dus je bent er niet meer. Stop met zagen’, maar de gedachten bleven komen.

Dode bladeren, de woorden zijn onderdeel van een chanson van Jacques Prévert en van de titel van een constructie van beeldend kunstenaar Jean Tinguely, raken aan de melancholie, waarvan dit kloeke boek doortrokken is. Niet op een pathetische manier, verre van, veel meer analyserend, zoekend, afwegend, zelfs berustend, omdat de dingen altijd gaan zoals ze nu eenmaal gaan. Wat je niettemin de ruimte laat aan de hand van zeer uiteenlopende anderen als Vergilius, T. S. Eliot, Rainer Werner Fassbinder, Charles Darwin en Friedrich Nietzsche om na te gaan hoe het zo ver heeft kunnen komen.

P. was al vroeg een sterk van de rest afwijkende figuur. Diens moeder vroeg de nog jonge Harold ‘mee op hem te letten’. Ook merkwaardig was de worsteling begin jaren tachtig toen P. Harold bijna verstikte:

Je arm schroeft onmiddellijk mijn keel dicht. Ik kan niet meer ademen. Mijn strottenhoofd kraakt. Zo moet het voelen als je doodgaat. Ik ben volledig uitgeleverd aan je genade. […] Het is een stilte […] waarin ik heel praktisch denk: komaan, ik wil gewoon in leven blijven. Je twijfelt enkele seconden te lang en lost dan je greep. Op dit moment van claritas, waarin ik mijn longen vol lucht zuig, besef ik dat er iets aan je scheelt. Misschien is er dan met mij ook iets mis. Waarom zou ik anders zo’n vriend hebben.

Via de genoemde constructie van Tinguely, Requiem pour une feuille morte, in het Parijse Centre Pompidou, begint Polis vervolgens een intellectuele queeste vol culturele en filosofische associaties, bespiegelingen over de (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen van die tijd, die zowel hem als zijn jeugdvriend geraakt moeten hebben. Zoals de revolte van de Oost-Europese bevolking tegen hun communistische overheersers en de snel doorzettende secularisatie. Polis, geboren in 1970, behoorde misschien wel tot de laatste Vlaamse studenten die nog te maken hadden met de Roomskatholieke invloeden in het onderwijs en de academische wereld.

Het verklaart misschien mede waarom Polis zich toch geregeld terloops afvraagt of moderne Europeanen, eenmaal volledig geïndividualiseerd, niet bepaalde waardevolle aspecten van die vroegere christelijke tijden zijn kwijtgeraakt nu ze alleen nog maar in meetbaarheid en rentabiliteit lijken te kunnen denken en nu zij ‘zelf [moeten] zorgen voor hun ziel’:

De valse belofte van maakbaarheid begon als een klein plukje onkruid, maar inmiddels woekert het door steden en valleien, en verstikt het elke daad van waakzaamheid. Er is een parallel universum ontstaan van smart cities, ontketende burgerpanels, datagedreven beleidsvorming, symptoomcheckers en mensen die wanhopig verlangen naar zelfoptimalisatie, terwijl ze ’s ochtends in de spiegel nog steeds hetzelfde tragische dier zijn dat Caravaggio afbeeldde als een beeldschone ongelukkige Narcissus, iemand die verliefd wordt op zichzelf en er uiteindelijk aan ten onder gaat.

Het dilemma dat we vandaag de dag alles kunnen ‘uitlezen’, behalve de mens, is een van de treffende voorbeelden waarmee Polis, met verwijzing naar kunstwerken, literatuur, muziek, films, filosofen, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, een brug tracht te slaan naar het lot van P. Valt diens vroege dood misschien voor een deel te verklaren door te kijken naar de omwentelingen in die grote buitenwereld of is het beter het dichter bij huis te zoeken?

Polis wil niets bij voorbaat uitsluiten en beschouwt daarom ook de verstikkende wereld van Deurne-Noord, waar beiden opgroeiden en de complexiteit van België, die evenzeer waarneembaar is in diens beschouwingen. De titel van dit memoir laat er geen misverstand over bestaan dat je met de geschiedenis, multi-interpretabel als die qualitate qua is, nooit tot zekere antwoorden kunt komen. Misschien kent P.’s dood wel een veel banalere verklaring. Maar Polis wilde toch een laatste poging doen, nu AI nog niet alomtegenwoordig is:

Ik heb nog heel even voordat mijn poging om je slordig te herinneren overbodig wordt gemaakt door de grote taalmachines van onze kolonisatoren.

Het speels verweven van uiteenlopende literaire genres, zelfs de making-of van dit boek, maakt dat Dode bladeren geen particulier herinneringsboek is geworden, maar een intellectueel uitdagend werk, waar op zijn minst een ieder die zich de eighties van de vorige eeuw kan herinneren over na kan denken.

Dat waren geen opwekkende tijden al viel de Muur en was de Koude Oorlog, voor even, voorbij. De werkloosheid was enorm, de economieën haperden en al spoedig werd duidelijk dat het ‘einde van de geschiedenis’ allerminst was aangebroken. Polis herinnert er dan ook niet voor niks aan dat die periode ook een golf aan zelfmoorden kende. Wat de indruk wekt dat P.’s zelfgekozen dood vermoedelijk toch geen puur particulier verhaal is geweest.

André Keikes

Harold Polis – Dode bladeren. Tristan / Standaard Uitgeverij, Antwerpen. 304 blz. € 22,50.