De stilte van het ongezegde

Je denkt dat je gezegend (dan wel gestraft) bent met een behoorlijke verbeelding, bent zelfs naar aanleiding van je aangescherpte verhalen weleens een ‘fantast’ genoemd, maar dan krijg je In mijn hoofd zwemmen vissen van Tom Wouters onder ogen. Een verzameling van zestig geestrijke verhalen, als schilderijen, zoekplaatjes van Salvador Dali, die stuk voor stuk fijn ontregelen, je verwonderen, je met een zeker ontzag doen beseffen dat je maar een beginner bent, een goedwillende verbeeldings-amateur.

De hoofdpersoon is vaak een personage dat een zekere gelijkenis vertoont met de schrijver, Tom, Tomas, Tomu Wotaasu, Timo Wöjtoö, desnoods Jorge Louis Borges. Wouters zet zichzelf juist aanstekelijk buitenspel, middenin the spotlights. Het zijn stuk voor stuk afgeronde universa. Hilarisch hoe de teksten het overnemen van een ‘schrijver met goede bedoelingen’. Wouters speelt met de lezer. Je laat het gewillig, volgaarne toe, blijft na elk stuk ietwat verbijsterd, maar ook gelouterd achter.

De personages nemen hun wonderlijke lot met een blijde gelatenheid op, nieuwsgierig, schouderophalend, het is toch niet te vermijden. Er wordt meer dan het beste van gemaakt. Wouters gebruikt de metaforen om ontroerende zaken te verbergen, of eerder ze als onverwachte  sterren tussen de regels door te laten oplichten.

Wouters vindt een stadsdeel van Parijs in zijn schoen, een man koopt per ongeluk een rivier in Zuid-Amerika en, ‘een huzarenstukje’ wil die verplaatsen naar zijn Europese achtertuin, door een dalende populariteit is de Eiffeltoren verkocht aan Wouters Kempische dorp, waar toeristen hem gratis mogen beklimmen. Topzwaar kiepert de toren om. Gelukkig niet in Parijs.

Dankzij de verbeelding was de ravage een stik minder groot. De toren viel op de notenboom in onze tuin. Koelbloedig haalde ik een ladder uit het tuinhuis en plukte toeristen als appels uit de boom.

Hetgeen hem nog jaren dankbaarheid van geredde mensen opleverde. ‘Met de top van de Eiffeltoren, die in onze tuin was blijven liggen, maakte ik mijn vrouw blij, want nu hadden we eindelijk iets wat leek op een prieeltje. […] Ze kuste me hartstochtelijk en ik werd de held. En het mooiste van al? In Parijs hadden ze van dat alles niets gemerkt.’

Bij het inruilen van de winterjas voor een lichtere versie vindt Wouters een onontdekte beschaving in de struiken, maar vergeet die vervolgens. Hij legt maanden later schuldbewust de resten terug. ‘Ongemoeid, zo had ik weer eens geleerd, moeten we de wereld laten.’

Ergens is Wouters eerder een poëet die het bestaan met een verschoven blik beziet. Hoe in een wereld op drift, een absurde zo men wil, de absurditeit, de sterk overtreffende trap, een zekere helderheid kan verschaffen. Personages die de hele plot van de vertelling op hun frêle schouders nemen.

En dan is er ook nog de ‘imitator’ die zelf teksten schrijft wanneer er niemand in de buurt is.

Welke auteur, succesvol of niet, kent niet dat gevoel dat een tekst na herlezing lang niet zo goed meer is als toen je hem schreef? Verantwoordelijk daarvoor is het piepkleine steekhoudertje, dat zich in de oorschelp nestelt en door zijn zachte knisperende geluid de schrijver doet denken dat hij daadwerkelijk zijn innerlijke stem horen kan, die hem doet geloven dat hij goed bezig is.

Een tante die in reïncarnatie gelooft en o zo graag terug wil naar haar kwallenfamilie. De definitie van kippenvel, een collectie ongeopende brieven, God die verschijnt in de vorm van een reuzengroot aquarium en de schrijver roept om voor profeet te spelen.

Een echte boodschap bleef uit. […] Het aquarium verdween even plots als het was verschenen. Tenzij God zich verdekt opstelt als kamerplant of zich voordoet als plukje stof, is hij nooit meer teruggekeerd. Ik weet niet of ik zijn boodschap goed begrepen heb en of ik wel een goede profeet ben, maar sinds dat moment zwemmen er vissen in mijn hoofd.

Je kunt blijven aanhalen uit de stukken. De lengte is van generlei belang. In mijn hoofd zwemmen vissen kent geen zwakke broeders. Telkenmale begin je vol verwachting aan een nieuw eiland van de archipel van Wouters, om steeds weer verrast te worden door de wendingen, door de insteek, door de verfrissende originaliteit. Hoezee! Applaus, zoals in het verhaal Publiek. Laat er eens echt een Tom Woutersfandag worden georganiseerd. (In Doetinchem, de plek, ha, waar volgende de overlevering van Wouters de ontlezing nog niet begonnen is.)

Wouters stelt zich breekbaar op, maar wel geharnast met een ongekende vernieuwende geestigheid. Wouters als ‘geniaal fysicus’ ontdekt een werkende versie van de perpetuum mobile ‘ondanks de matige kennis’. Volgens de promotor kon het toestel alleen door hem bedacht zijn omdat hij ‘zo fundamenteel anders over alles dacht’. Precies. Blijf vooral zoeken naar die gekantelde verhalen.

De ‘fysicus’ realiseert zich bij een waterval, een natuurlijk perpetuum mobile dat zijn uitvinding een farce is.

Ik vermoed dat ik al die tijd een oplichter ben geweest, dat ik de wetenschap, de liefde en dus ook het leven niet voor vol heb aangezien omdat ik geloofde in de eeuwigheid. Dat had lang genoeg geduurd.

Hij zet de uitvinding voorgoed stop. In alle uitbundigheid is de schrijver Tom Wouters zelf eerder ingetogen. Zoals in De Tom Woutersfandag. ‘Beroemd zijn, een publiek hebben – het leek me altijd wel wat, maar er valt vast ook wel iets te zeggen voor het kluizenaarschap, een schrijver te zijn die, diep in zijn grot, tegen zijn eigen schaduw praat en verder door niemand wordt gehoord.

Lees In mijn hoofd zwemmen vissen! Twee maanden lang bijvoorbeeld elke dag een stuk. Dit boek heeft de zeggingskracht van een encyclopedie in een duizelingwekkend aantal delen. U zult er gelouterd en verkwikt van opzien, in de wetenschap dat er nog wel degelijk een fijn, origineel, organisch handvest is voor het leven.

Guus Bauer

Tom Wouters – In mijn hoofd zwemmen vissen. Tristan, Antwerpen.142 blz. € 23,99.