Recensie: Willem Brakman – Naar de zee, om het strand te zien
De volgende recensie komt uit 2006.
Ervaringsgenie
In de kleine roman Naar de zee, om het strand te zien, de dunste van de afgelopen jaren, laat veelschrijver Willem Brakman zijn ik terugkeren naar Den Haag, voorgoed lijkt het. Den
Haag, en dan vooral de wijk Duinoord, speelde in dit merkwaardige oeuvre altijd al een grote rol, maar nu laat Brakman de teugels van zijn verlangen geheel vieren.
Afgelopen zondag liep ik er nog rond, op weg van het strand naar huis, natuurlijk ook om Brakmanlocaties te bezichtigen. Ik ging naar Scheveningen om Brakman te zien, liep door de Vlielandsestraat vlak bij de Julianakerk, waar we een paar jaar geleden nog een huis bezichtigden, slenterde langs de Scheveningse haven, deed net alsof er niks aan de hand was, maar wist dat Brakman al tientallen jaren in de omgeving van Enschede (nota bene!) naar deze buurt en deze stad een mythisch verlangen van de grond probeert te krijgen.
Hier vonden de ontmoetingen, liever gezegd confrontaties, in zijn boeken plaats. Met de vrouwen ‘met bleke armen’, met de Heer Paap, met de huisarts Van Heel en met andere schimmen en beelden uit het verleden.
Mijn moeder is een hoofdstuk apart, ik herinner me dat ik door de Vlielandsestraat liep en tot God zei: Als ik ooit iets lelijks zeg over mijn moeder, dan zal ik het niet menen.
Typische Brakmanzin: altijd onzekerheid in stand houden over wat werkelijk is, of waar, wat gemeend is, wat bestaat, wat telt en niet telt.
Brakman vertelt kleine verhalen in dit boek, anekdotes uit een verleden van een ik die ‘alles’ nog weet en niets lijkt te willen vergeten. Een verhaallijn die alles met elkaar verbindt is er nauwelijks, of is de ontmoeting met een vrouw bij een beek het alomvattende ijkpunt van het verleden? Dit proza verbindt moeiteloos allerlei schijnbaar onverbindbare zaken.
Neem bijvoorbeeld de volgende twee zinnen:
Ik kwam met een meisje in contact dat aan menstruatieklachten leed en daarom veel wilde rusten. Ik wilde ook de duinen niet in want ze had heel kleine voetjes.
Waarom schiet ik hier toch van in de lach? Op zich zijn het plausibele zinnen lijkt het, niks aan de hand, maar naast elkaar krijgen ze ineens iets buitengewoon vreemds. Misschien zit het ’m in de raadselachtige gedachte niet met een meisje de duinen in te willen omdat ze te kleine voetjes heeft. Daaraan ontbreekt iedere logica. Wat hebben kleine voetjes te maken met de weigering iemand mee de duinen in te nemen? Brakman laat het gewoon in het midden, hij weet dat wij lezers altijd op een of andere manier zinnen ‘logisch’ met elkaar proberen te verbinden. Of een schrijver nu wil of niet.
‘Was ik gelukkig? Ja, maar dan zeer droevig.’ Misschien is dit wel de sleutelzin van het hele oeuvre van Brakman, hij staat op bladzijde 93, zomaar tussen alle verhalen en verhaaltjes in. En een paar zinnen verderop staat ineens het pareltje dat kan gelden als een ander credo voor zijn schrijverschap (wie weet voor ieder schrijven): ‘Wij herstellen dat wat er in werkelijkheid niet is.’ Het barst in dit boek van dit soort verbluffende invallen en bespiegelingen over schrijven. Nog eentje dan: ‘Ik was nog jong, maar al een ervaringsgenie.’ Willem Brakman is altijd een ervaringsgenie gebleven.
Kees ’t Hart
Willem Brakman – Naar de zee, om het strand te zien. Querido, Amsterdam. 108 blz.
Deze recensie verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 22 december 2006.
