Recensie: Ingmar Heytze – Hoe maak ik een gedicht
Handboek voor de dichter
Bijna anderhalf miljoen Nederlanders willen een boek schrijven en publiceren, zo blijkt uit een recent onderzoek van Ipsos I&O. Uit eerder onderzoek is bekend dat 26,6% van de Nederlanders weleens gedichten voor zichzelf schrijft en 7,8% poëzie voor een bundel. Voor aspirerende dichters is er nu het handboek Hoe maak ik een gedicht? van Ingmar Heytze.
‘Stel je niet aan,’ schrijft Heytze in het hoofdstuk ‘Hoe begin ik aan een gedicht?’ Hij heeft weinig op met het idee dat een dichter op inspiratie moet wachten. Heytze, die al ruim veertig jaar gedichten schrijft en tien jaar poëziecursussen geeft, begint zelf gewoon met schrijven, ook als hij nog geen idee heeft waar het gedicht over moet gaan. Zijn eerste versies zijn doorgaans ‘Heel Slecht’, bekent hij. Pas tijdens het schrijven ontdekt hij of er een gedicht in zijn woorden schuilgaat. De tekst begint dan invloed uit te oefenen op wat hij nog meer wil schrijven of juist wil schrappen. Inspiratie ontstaat volgens Heytze tijdens het schrijven. Om de lezer van zijn eventuele schroom af te helpen, geeft hij een opdracht: schrijf het beroerdste gedicht dat er bestaat. Dat kun je daarna altijd nog verbeteren.
Hoe dat verbeteren in zijn werk gaat, laat Heytze zien aan de hand van zijn eigen gedicht ‘Egards’, dat hij in het hoofdstuk over herschrijven onder handen neemt. De eerste versie telt elf regels. Dat hij twee keer ‘mee’ gebruikt, vindt hij lelijk. Een regel over de onsterfelijkheid van onze doden is zo gemakzuchtig dat AI hem had kunnen verzinnen, en de geest die in de gang met koude handen kiekeboe speelt, lijkt hem te veel op een horrorcliché. Na verschillende ingrepen ontstaat een gedicht van veertien regels, dat inmiddels ‘Kiekeboe’ heet. Voor zijn nieuwe versie laat hij zich inspireren door een gedicht van Frank Koenegracht en Siri Hustvedts Ghost Stories: A Memoir. Maar is het gedicht nu af? Nee, Heytze vindt het hooguit ‘voordrachtklaar’. Hij legt het voorlopig weg. Heytze laat hiermee zien hoe zijn gedichten ontstaan en welke twijfels en afwegingen bij het herschrijven een rol spelen.
Op de vraag wanneer een gedicht af is, geeft Heytze uitgebreid antwoord:
Een gedicht is zo goed als het kan zijn, wanneer er geen woord meer in of uit kan zonder dat het slechter wordt. Het is af als je het in de steek durft te laten. Al kun je ‘af’ en ‘goed’ met evenveel recht verwisselen. Een gedicht kan af zijn maar (toch nog) niet goed en andersom. In het eerste geval is het gewoon niet zo geweldig geworden – dit overkomt me vaker wel dan niet –, in het tweede geval krijg je het, althans op het gegeven moment, niet af. Dit gebeurt zo mogelijk nog vaker. In beide gevallen is er hoop. Uit een slecht gedicht dat af is, kun je alles wat er wél aan deugt slopen om te gebruiken in iets anders. Een goed gedicht dat nog niet af is, wacht ergens op: een extra inhoudselement, een ander perspectief, nieuw werk van een pas ontdekte dichter, een vergeten deadline die zo veel druk op de ketel zet dat je het tóch opeens af kunt maken, of gewoon levenservaring.
Dichten is bij Heytze een ambacht. Hij beschrijft het herschrijven als puzzelen en vergelijkt zijn werkwijze met die van een studiotechnicus die op een mengpaneel de sporen vorm, ritme, klank, inhoud en invloeden afregelt. Soms verandert hij de werkwoordstijd of het perspectief, soms schrapt hij woorden die de lezer te weinig ruimte laten. Vooral ritme en klank houden hem bezig. Hij laat een gedicht niet met rust voordat het zo goed mogelijk loopt en klinkt. Maar hoe nauwkeurig je ook sleutelt aan de vorm, een goed gedicht laat zich niet volgens een vaste handleiding vervaardigen. Juist die spanning tussen het aanleren van technieken en het onvoorspelbare van het schrijven keert telkens terug. Zelfs na ruim veertig jaar weet Heytze nog altijd niet hoe zijn volgende gedicht eruit zal zien.
‘Poëzie is een effect,’ schrijft Heytze. Hij bedoelt dat woorden iets kunnen oproepen wat hun letterlijke betekenis overstijgt. Dat kan ook buiten een gedicht gebeuren, bijvoorbeeld in een krantenbericht of een windkrachttabel. Het verklaart waarom hij zo veel aandacht besteedt aan de vorm en aan de manier waarop woorden samen iets teweegbrengen. Toch is de vraag of poëzie vooral kan worden omschreven als een effect op de lezer. Heytze laat immers zelf zien dat dichten ook een manier is om iets te ontdekken wat je nog niet wist. Het gedicht is dan niet alleen een tekst die iets teweegbrengt, maar ook het resultaat van een denkproces dat zich niet vooraf laat sturen.
Naast de gebruikelijke technieken, zoals rijm, metrum en beeldspraak, introduceert Heytze het begrip ‘dichtplaats’, dat hij ontleent aan de topoi uit de klassieke retorica. Het zijn stilistische kunstgrepen die dichters gebruiken om hun gedichten vorm te geven. Zo onderscheidt hij de ‘meneertjeswijs’, waarbij een nauwelijks beschreven personage wordt opgevoerd, zoals mevrouw Despina in de gedichten van Marjoleine de Vos. Bij de ‘zelfcorrigerende wijs’ laat hij aan de hand van het gedicht ‘Ja’ van K. Schippers zien hoe een dichter zijn eigen woorden corrigeert. Ook de vragende, gebiedende, aanwijzende en opsommende wijs komen aan bod. Het zijn geen voorschriften, maar mogelijkheden waarmee de dichter kan experimenteren. Door de voorbeelden die hij geeft, maakt Heytze meteen duidelijk hoe goed deze dichtplaatsen kunnen werken en hoeveel variatie er mogelijk is. Over de aanwijzende wijs:
Vasalis schrijft in de klassieker ‘De dood’: ‘dit is een spijker – zei de Dood – en dit is een touw.’
Esther Jansma schrijft in ‘Archeologie’: ‘Opeens zie je hoe iemand/ ijs overstak, hoe hem de kou beving/ / of een ander einde en je zegt: kijk,/ hier heb je zijn schoenen, leren mantel, wanten./ ‘Waar is de tijd? Hier is de tijd.’
Over de opsommende wijs schrijft Heytze:
Opsommingen zijn een onderschat stijlmiddel. Ze hebben de reputatie saai en formeel te zijn, de poëzie onwaardig. Toch is het niet moeilijk om een uitstekende bloemlezing samen te stellen met gedichten die geheel of op zijn minst goeddeels bestaan uit opsommingen. Poëzie is, onder vele andere dingen, ook retorica, en die is van nature gebaat bij ordening en herhaling. Dan is de opsomming nooit ver weg.
Het belang van lezen kan volgens Heytze nauwelijks worden overschat. Door andere dichters te lezen ontdek je wat er mogelijk is, leer je je eigen werk beoordelen en ontwikkel je een persoonlijke poëtica. Ook gedichten die je slecht vindt, moet je lezen. Heytze heeft in de loop van zijn leven dichters die hij aanvankelijk verafschuwde alsnog leren waarderen. Hij begon op zijn vijftiende met dichten, maar ging pas later systematisch poëzie lezen. Inmiddels bezit hij zo’n zevenhonderd bundels, naast veel meer poëzie in digitale vorm. Het boek bevat ongeveer honderd leestips, van Annie M.G. Schmidt en Frank Koenegracht tot Wisława Szymborska en Radna Fabias. Het zijn dichters die hem hebben beïnvloed of met wie hij zich verwant voelt. De lezer krijgt de opdracht een eigen bloemlezing samen te stellen van veertig gedichten en bij elk gedicht op te schrijven waarom het belangrijk is.
Aan opdrachten ontbreekt het in Heytzes handboek niet. Je kunt een gedicht schrijven voor een blinde muur in je buurt, een gedicht maken met alleen eenlettergrepige woorden of met de ‘Dichtersdobbel’ het onderwerp, de plaats, de tijd en de stemming door dobbelsteenworpen laten bepalen. De oefeningen zijn soms speels, soms behoorlijk lastig, maar dwingen je in elk geval om andere wegen in te slaan. Wie tijdens een opdracht op een heel ander gedicht uitkomt, heeft volgens Heytze niet gefaald. Misschien was dat wel het gedicht dat geschreven moest worden.
Hoe maak ik een gedicht? is niet de eerste handleiding voor aanstaande dichters. Ook Dichten doe je zo (2010) van Yke Schotanus en Zo word je een geweldige dichter (2015) van Ellen Deckwitz staan vol tips, voorbeelden en oefeningen. Schotanus legt vooral uit hoe dichterlijke technieken werken en wat je ermee kunt bereiken. Deckwitz besteedt meer aandacht aan het vinden en ontwikkelen van oorspronkelijke ideeën en moedigt haar lezers aan risico’s te nemen. De meerwaarde van Heytzes handboek zit vooral in de combinatie van zijn schrijfpraktijk, leesgeschiedenis en veranderende opvattingen over poëzie. Zijn openhartigheid over de twijfels, mislukkingen en afwegingen die bij het dichten horen, maakt het boek ook interessant voor lezers zonder dichtambities.
Marie-José Klaver
Ingmar Heytze – Hoe maak ik een gedicht. Werkplaatshandboek poëzie. Van Oorschot, Amsterdam. 139 blz. € 22,50.
