De onderstaande recensie van Het achtenveertigste uur komt uit 2005.

Kwaad

Je moet er maar zin in hebben, dacht ik na een bladzijde of honderd van deze merkwaardig feitelijke roman. Weer een harteloze of domme ambtenaar, weer een gewiekste advocaat die het verder ook geen bal kan schelen. Wat moet die Matsier kwaad geweest zijn, ja, echt verontwaardigd toen, hij Het achtenveertigste uur schreef. Maar kwaadheid en verontwaardiging alleen leveren niet altijd een volledig geslaagd boek op.

Matsier verdiepte zich tot in alle krankzinnige details in de procedure die asielzoekers op Schiphol moeten ondergaan voordat ze hier worden toegelaten of uitgezet. Binnen achtenveertig uur moet de hele procedure zijn afgewerkt. Wie wil weten hoe het werkt, moet dit boek lezen. Alles staat er in, tot en met de invulformulieren die de ‘betrokkene’, alleen deze term al, moet invullen of laten invullen.

Zo iemand wordt een paar keer verhoord, hij krijgt een advocaat op bezoek, er komt een nader verhoor, daarna een voorgenomen besluit, dan weer een advocaat die zich weer eens over de zaak buigt en uiteindelijk volgt de beslissing. De asielzoeker zelf verdwijnt langzaam achter de berg formele verhoren, ambtelijke praatjes, misverstanden en prietpraat van de dienstdoende ambtenaren. En zit op de uituitslag te wachten in het asielcentrum op Schiphol. Wat dat kan betekenen weten we maar al te goed na de brand daar van vorige week.

De asielzoeker uit dit boek wordt langzaam vermorzeld in de bureaucratie van de asielwet. Matsier spaart ons geen enkel detail, hij duwt ons dat verschrikkelijke ambtelijke jargon gedetailleerd door de strot.

De aanvraag van betrokkene tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (verder te noemen verblijfsvergunning asiel) wordt afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000.

Zullen we nog doorlezen?

Natuurlijk wil Matsier met dit type citaten bereiken dat de hele procedure in alle absurditeit op ons netvlies begint te branden. Ik vind dat hij daarin slaagt. Ook geslaagd vind ik het beeld dat hij oproept van de asielzoeker waar het in dit boek om gaat: Moesa Mohamed-Hassan. We zien deze ongelukkige man steeds alleen door de ogen van de dienstdoende ambtenaren en leren hem verder kennen uit de ingevulde formulieren. Langzamerhand komt een hartverscheurend beeld tot stand van ongeluk, slavernij, rampen, onderdrukonderdrukking en wanhoop.

En toch is deze roman niet in alle opzichten geslaagd. Matsier heeft zijn verontwaardiging bij de beschrijving van de dienstdoende ambtenaren niet weten om te zetten in overtuigende literatuur. Hij beschrijft ze als warhoofden, domkoppen, ijdeltuiten of nitwits die allemaal zo ongeveer in het zelfde jargon denken en praten. Dit werkt niet. Ik begon me te vervelen. Weer een ambtenaar: weer een eikel. Gaap waar heb ik dit allemaal eerder gelezen?

Matsier sluit zich te gemakkelijk aan bij de clichés die we van tevoren al over ambtenaren kennen en die keer op keer in de media door lolbroeken in sketches worden herhaald. Luiaards, droogkloten, sufferds en geldduivels. Hiermee mag je als schrijver van literatuur niet werken, vind ik. Hoe verontwaardigd je ook bent. Ik verbaasde me erover. Hij zou toch niet geloven dat clichés een interessant beeld van mensen kunnen opleveren? Deze roman verloor erdoor aan geloofwaardigheid en impact. Hij kon me op het laatst te weinig meer schelen.

Kees ’t Hart

Nicolaas Matsier – Het achtenveertigste uur. De Bezige Bij, Amsterdam. 266 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 11 november 2005.