Recensie: Lies Van Gasse – Mannen zonder hoofd
Van dromen, overkoken en een glimp van een r(e)us
Wie samenhang zoekt, zou kunnen beginnen met het lezen van Mannen zonder hoofd van Lies Van Gasse. Bijvoorbeeld om erachter te komen dat het woord ‘Koker’ een andere betekenis krijgt op het moment dat je even later het woord ‘Overkoker’ tegenkomt, en dat je zeker weet dat er meer kokers zullen volgen als je na ‘Scheuren’ en ‘De novemberfoor’ in ‘Droomkoker’ belandt. En dat klopt, want ook al zit er een ‘Kantlijn’ tussen, daarna komt echt ‘Liftkoker’, en na driftig verder bladeren en nog wat onderbrekingen ‘Waterkoker’, ‘Verzendkoker’, ‘Eierkoker’ en ‘Pijlenkoker’, ook al zit daar dan nog een ‘Elleboognootje’ tussen. En met al die kokers in je handen weet je: dit kan geen toeval zijn.
De verschillende ‘kokers’ zijn de titels van afdelingen in deze bundel en bij de toevallige ontdekking van deze raadselachtige samenhang besef je ineens dat het tamelijk willekeurig is dat je de bundel bent gaan verkennen via deze titels en dat je er misschien wel nooit achter zou zijn gekomen als je argeloos bij het eerste gedicht was begonnen. Is het juist niet diep triest dat je je voor een glimp van de betekenis van deze bundel probeert vast te houden aan deze kokers? Je gluurt naar de titel, ‘mannen zonder hoofd’, verbindt deze onwillekeurig met de kokers en raakt daarmee per ongeluk aan een bron van betekenissen: wat gaat er allemaal koken als mannen hun hoofd verliezen? Bevinden mannen zonder hoofd zich in een koker, waarin ze zich nauwelijks nog kunnen bewegen, of bevindt juist de omgeving van die mannen zich in zo’n keurslijf?
Als je gewoon bij het begin was begonnen, had je kunnen lezen dat je goed gek moet zijn om niet te worden overwoekerd: ‘De planten die men deze stad heeft binnengedragen, / schieten op tussen stoeptegels.’ En na het openingsgedicht waarin weliswaar ’s nachts tussen de auto’s een oude das rent, maar het toch wachten is ‘tot de wolven komen, / huilen, huilen om de lengte van de lange nacht’, krijg je een wonderlijk advies: ‘Hou je hand aan de wolk. / Hou je vingers aan de wolk.’ Daarboven staat ‘Geluk beweegt op dunne benen’. Wat als ons houvast zo vluchtig is als een wolk? Als je loslaat, lees je een deel van ‘Takkendroom’:
Soms voel ik mij een heel oud wezen,
niet aangepast aan klikken en tijd, niet weerbaar
tegen het op en neer van stofwolken, golfstromen,
niet wetend of het nu huilend wil gaan liggenof doorgaan, soms
lijkt het alsof mijn gedachten zich beter op hun gemak voelen
in deze ongeordende takkenruimte
Ook je dierbaren moet je soms loslaten, ook al wil je ze terughalen in de tijd: ‘Ik vond een haar in je bestanden / en ik voel de draden trekken.’ Het missen is hier zo mooi verwoord in de tegenstelling tussen het tastbare lichamelijke en de kille virtuele nalatenschap van bestanden.
Ondertussen kom je in de gedichten hier en daar mannen zonder hoofd tegen: ‘Mannen zonder hoofd scheuren / van de bomen de toppen’ en ‘Hun hoofden hebben ze uitgedaan, / eerst voor even, maar in deze gewoonte / raakten ze snel verstrikt.’ Juist omdat je ze steeds even tegenkomt in de bundel, tussen het alledaagse, gewone van wat je zoal op straat tegen het lijf loopt, voel je de dreiging, want het zijn wel deze mannen die ‘regisseren onze levens, / onze wensen, onze lichamen, de sporen waarin wij lopen’.
In ‘Droomkoker’ staat: ‘Het wonderlijke van taal is / dat ze de dingen naast elkaar toelaat.’ En dat is zo sterk voelbaar in deze bundel: je kunt wel op zoek zijn naar samenhang en houvast, maar in de taal is alles met elkaar verbonden en dat leidt hier tot raadselachtige ontmoetingen, waaraan je je dan maar moet overgeven. Net als je denkt dat je vooral moet oppassen voor die mannen zonder hoofd, beland je bij hun grootste dromen:
Fropskottel is het groene drankje dat de reuzen uit De grote vriendelijke reus van Roald Dahl drinken in plaats van water. Maar als deze fropskottel gevolgd wordt door plaatsnamen als Donbas, Irkoetsk en Narva kun je je afvragen of een van die mannen zonder hoofd misschien niet eerder een wat minder vriendelijke Rus is. Dat werpt voor heel even een ander licht op deze mannen: zij zijn ook kind geweest en hadden dromen. Tegelijkertijd helpt de kille realiteit kinderlijke dromen en fantasie om zeep.
‘De komst van de wolf in Antwerpen’ rekt zich daarom uit in mythische proporties. Ja, hij struint weliswaar heel tastbaar ‘blauwvoetig,’ ‘langs het Albertkanaal / op weg naar BOSTO rijstfabriek’, maar hij zorgt er óók voor dat we werkelijk over alles moeten gaan nadenken:
zwemmen niet zwemmen wieden in de sneeuw
harken niet harken onderwerpen vrij
voor debat voor beperking voor overmachtvoor fluo geen fluo antimetrische randen
helm geen helm door de brand stappen overkoken
asse geen asse je weet het, ik heb het zo gezegd
Deze wolf openbaart een samenleving waarin ieder houvast ontbreekt: voor alle voors zijn net zoveel tegens te bedenken. We staan tegenover elkaar en roepen maar wat. Wat voor de een van levensbelang is, is voor de ander een bagatel: ‘door de bosrand stappen / de bosrand verschuiven naar een voetnoot / een opmerking de rand de achterzijde van een bierviltje’.
Zodra je nog hoop hebt, word je naïef genoemd en toch wil je niet al je dromen opgeven:
Ik was ver voorbij de droomgerechtigde leeftijd
en toch schenen de spinsels niet op te lossen,
wat gevoelens met zich meebracht
van discomfort en ongemak.
Denk niet dat er in deze prachtige bundel die overkookt van mooie gedachten en regels, alleen maar mannen zonder hoofd rondlopen, maar op het moment dat je er toch een mét hoofd tegenkomt, heb je allang iedere samenhang, ieder houvast verloren, zelfs van jezelf ben je niet meer zeker. En is dat niet precies waar je eigenlijk naar op zoek was in de poëzie: naar de reflectie van je eigen gevoel van vervreemding en dreiging?
Een man bracht zijn hoofd
wel heel dicht bij het hoofd
dat ik in niets nog als het mijne herkende.
Dietske Geerlings
Lies Van Gasse – Mannen zonder hoofd. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk. 104 blz. € 24,50.


