Recensie: Joost Baars – Toen ik je kwijtraakte
‘want er is bij dit gaan geen naartoe, alleen maar een blijven, naakt en ontdaan’
Ik herinner mij het hart tussen de bomen op de voorkant van De binnenplaats, waarmee Joost Baars winnaar werd van de VSB Poëzieprijs: het kwetsbare van dat beeld en dan dat eerste gedicht bij binnenkomst waar een liefste op de grond ligt ‘en cel voor cel het weefsel waarin ze was vervat’. En nu is daar zijn nieuwe bundel Toen ik je kwijtraakte, opnieuw met een indrukwekkend omslag: een zeis die neerkomt vlak voor de voeten van een kind. Uit de zeis komt een hand die het kind vasthoudt. De bundel is opgedragen aan Baars’ moeder, die in 2021 is overleden, en omvat een veelvoud van kwijtraken.
Ook deze bundel heeft een prachtig openingsgedicht, dat begint met: ‘de zaaier schrijft niet, zegt hij, / maar wat is een gedicht // als het niet is wat er uit de aarde / opkomt?’ Bij het verlies van een geliefde is het beeld van de zaaier troostrijk: je legt iemand in de grond en er zal leven uitkomen. De zaaier kan niet wachten en ondertussen wordt de ik zaailing en groeit er verlangen in hem om door de zaaier te worden toegedekt. En dat kun je op meerdere manieren duiden: het verlangen om ontbonden te worden op het moment dat je een dierbare verliest, maar ook het verlangen om herboren te worden.
In het derde gedicht wil de ik zichzelf tot bedaren brengen, ‘niet meer // steeds je verzetten tegen de dood’, want we zullen allemaal sterven. Dan volgt het beeld van een bootje dat afgeduwd wordt en in een mist verdwijnt. Niemand weet waarnaartoe en dat doet er ook niet toe, ‘want er is bij dit gaan geen naartoe, // alleen maar een blijven, naakt / en ontdaan, en alleen // dat is wat jou staat te doen.’ Ook hier ontspringen meerdere betekenissen: de ik blijft alleen achter en dat is ook het enige wat hem te doen staat. Door die witregels ervaar je het eenzame staan aan de oever, als het bootje net uit het zicht is verdwenen.
Baars’ poëzie overstijgt het persoonlijke verlies van een moeder, door de universele beelden – de boot, het graven in de lagen van het bestaan – en door de ‘jij’ en de ‘ik’ die de lezer zelf kan invullen. In een van de gedichten schrijft de dichter daar zelf over: ‘mijn tweede bundel is nu bijna klaar, / mamma. hij gaat meer over jou // dan mijn bedoeling was, en toch / kom je er amper in // naar voren. ja, er is de pijn / van je gemis, maar ik // denk niet dat lezers na het lezen / zullen weten wie je was.’
De rouw is overal voelbaar tussen de regels: het aftasten van de grens tussen de levenden en de doden, de vragen die daarbij horen: kan de dode moeder nog gedachten hebben aan haar kind, zoals het kind onophoudelijk aan de moeder denkt? Hij realiseert zich dat hij zijn leven lang afwezig is geweest in de buik van zijn moeder en dat hij, nu zij er niet meer is, zelfs die lacune mist. Het eerste deel eindigt met een bijna mystiek gedicht over een vloedende golf ‘naderende of ik naderende’. Je zou rouw ook kunnen zien als een vloedgolf die je steeds opnieuw overkomt.
Er zijn zwarte bladzijden tussen de delen. Het tweede deel begint met:
toen ik je kwijtraakte,
de eerste keer,was er het licht
was er de chaoswas er, geworpen,
geen bodem meer,enkel de honger
het vallen,het razen.
Het eerste moment waarop het kind de moeder verliest (en andersom) is het moment van de geboorte, waarop het kind de veilige buik verlaat. Dit gedicht lijkt behalve naar de eerste ontmoeting met het licht na de geboorte, ook te verwijzen naar het begin van de schepping: ‘was er het licht / was er de chaos’. Daardoor is het gedicht ook te lezen als het ontstaan van de mens in het algemeen: eenmaal geboren, kunnen we alleen nog maar vallen en is er het razen van de wereld.
Er blijken nog veel meer keren te volgen, waarop de ik de jij kwijtraakte, om te beginnen met nog meer eerste keren. Bij het tweede gedicht van de tweede afdeling blijkt de jij een huisdier dat bovenop de dekens loopt, waaronder de ik verscholen is: ‘de kussentjes // onder je poten / zichtbaar’. Daardoor krijgt de bundel even een wat luchtiger toon. Dat er ook nog tweede, derde, vierde en nog veel meer keren volgen, laat voelen hoe je steeds opnieuw iemand kwijtraakt, omdat je op plekken komt, waar je het verlies weer op een andere manier voelt.
Ook in volgende delen komt dat kwijtraken terug. Soms lijken het dromen, bijna abstracte vormen van verlies: ‘wegzakkend // uit mijn gestel, / een geborchte // in, terug // naar waar jij / niet meer op mij wacht.’ Het verlies spreidt zich uit over de wereld, als een van de gedichten is geschreven ‘voor de 2025 Gaza Freedom Flotilla’, of zelfs over het universum, als de ik de almaar uitdijende ruimte ziet. In het laatste deel gaat het ‘jij’ over in ‘u’, waardoor de gedichten iets religieus krijgen. Daarnaast kan de ik zwanger zijn, zonder dat hij kan baren.
Juist door het cyclische van al die keren van kwijtraken, en de kleine verschuivingen tussen ik, jij en u, voel je dat leven een aaneenschakeling is van ontstaan en vergaan, geboren worden en sterven, net zoals schrijven, net zoals lezen. Dat schrijnt én troost.
Dietske Geerlings
Joost Baars – Toen ik je kwijtraakte. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam. 80 blz. € 20,00.

