Welke wereld was werkelijk?

De student Robert Selder komt terug naar de lommerrijke voorstad waar zijn ouders wonen en besluit die middag naar een feest te gaan van zijn oud-schoolgenoten. Het feest is georganiseerd door Denis Lenaeus, die de hele roman een wat mythische figuur op de achtergrond blijft en telkens in andere gedaanten en onder andere namen opduikt. Selder ontmoet op het feest zijn oude geliefde Katja die inmiddels een kind heeft. Als hij het feest verlaat, wordt hij aangereden door een auto.

Vanaf dat moment laat Allard Schröder het verhaal in Dood en leven van de jonge Selder kantelen. En na een slaap nog een keer. Selder lijkt na zijn aanrijding in een parallelle werkelijkheid terechtgekomen te zijn, een soort dictatuur in een op Europa gelijkend continent waar hij als vluchteling, als frontsoldaat en als opstandeling onder andere namen (Elders, Redsel) stand probeert te houden. Echt inleven in de hoofdpersoon doe je niet omdat de stoet aan merkwaardige personages en gebeurtenissen nogal willekeurig is in een fantasiewereld waarin ook zomaar een centaur voorbij kan schieten.

De verteller in het verhaal benoemt de gevoelens van Selder nogal expliciet. ‘Er was bitterheid in hem die zich niet liet wegredeneren, hij voelde zich verongelijkt en alleen gelaten en kon niemand de schuld geven.’ Ook thematische verbanden worden concreet gemaakt: ‘Welke wereld van de twee was werkelijk, of waren ze dat beide niet?’ Schröder bouwt daarna opnieuw een kanteling in het verhaal in die in deze recensie niet gespoild wordt. De werkelijkheid, de fantasie, de dromen en de hallucinaties vloeien steeds meer in elkaar over, verhaallijnen waarin Schröder speels verwijzingen naar mythologische verhalen kan inbouwen: Dionysos, Sisyphus.

Er moet nog wel een opmerking gemaakt worden over de stijl. Op de helft van de meer dan 400 bladzijden dikke roman wordt wel met het hoofd geschud, er wordt gezucht en gemompeld, er wordt vragend aangekeken, er wordt geknikt dat het een aard heeft en ten slotte komen ook de woorden ‘ten slotte’ onnoemelijk veel voor. Dat hoort toch niet bij een gerenommeerde schrijver bij een voorstaande uitgeverij. Het is doorgaans geen goed teken als je op dat soort zaken gaat letten in plaats van het verhaal. In zijn verhalenbundels heb ik er geen last van, maar in een roman werken deze woorden als een alarmbel. In een eerdere recensie van Schröder heb ik al een keer een opsomming gegeven van hoe vaak het hoofd wordt geschud, hieronder vind je een vast niet volledige bloemlezing van de keren dat de schouders worden opgehaald in Dood en leven van de jonge Selder.

* Selder haalde de schouders op, […].
* Selder haalde de schouders op.
* Selder haalde de schouders op.
* Telkens als hij over Dennis begon – waarom deed hij dat toch? – werden er schouders opgehaald […].
* Ze haalde haar schouders op.
* Hij haalde de schouders op.
* Hulpeloos haalde hij de schouders op.
* Schouderophalend legde de ander uit dat dit Station Vijf was […].
* Hulpeloos haalde Selder de schouders op.
* Ze dacht even na over een antwoord en haalde toen de schouders op.
* Selder wilde weten wie die ‘ze’ dan wel waren, maar kreeg slechts een schouderophalen als antwoord.
* Ze haalde de schouders op en trok een vies gezicht, ze lustte het niet.
* Peinzend haalde ze de schouders op.
* Stuurs haalde ze de schouders op en vermeed hem aan te kijken.
* Gelaten had de restauranthouder de schouders opgehaald.
* Ze haalde de schouders op.
* Selder haalde de schouders op.
* Selder aarzelde en haalde de schouders op.
* Elders’ afdeling keek vragend naar de onderhoofdman die verontschuldigend de schouders ophaalde.
* Elders haalde de schouders op en ging door met wat hij aan het doen was.
* Schouderophalend vond Hraban dat ze zich niet hoefden te haasten.
* De Avaar haalde zijn schouders op.
* Truffel haalde onwillig de schouders op.
* Geprikkeld haalde Ismonds de schouders op.
* Hij haalde de schouders op en stapte in.
* Alberecht haalde de schouders op.
* Verbaasd haalde Elder de schouders op
* Ze haalde de schouders op.
* Redsel haalde de schouders op.
* De neef haalde de schouders op, hij had geen idee, ze vertelden hem nooit iets.
* Onverschillig haalde ze de schouders op
* Ze haalde de schouders op.
* Ze haalde de schouders op.
* De eerste man haalde de schouders op.
* Ze haalde de schouders op.
* Ze haalde de schouders op.
* Selder haalde de schouders op […].
* Ze haalde de schouders op.
* Selder haalde de schouders op.
* Hij haalde de schouders op.
* Hij haalde de schouders op.
* De garagehouder haalde de schouders op, hij wist het niet
* Selder haalde de schouders op.
* Ze haalde de schouders op.
* Ze haalde de schouders op.

Het blijft een beetje ongewis wat Schröder met zijn laatste roman beoogt. Hij laat in ieder geval zien dat de verlangens van een mens in de werkelijkheid en in een fantasiewereld niet zo veel van elkaar verschillen. Er is altijd een behoefte aan een thuis, een veilige omgeving, een geliefde. Misschien maakt de fictieve wereld je weerbaarder in de echte wereld. Dat zou, ten slotte, een pleidooi voor literatuur kunnen zijn.

Coen Peppelenbos

Allard Schröder – Dood en leven van de jonge Selder. De Arbeiderspers, Amsterdam. 448 blz. € 21,99.

Deze recensie verscheen eerder in een kortere versie in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden op 17 augustus 2026.