Symbolische orde en literaire provocatie

Wat hebben Baudelaire, Flaubert, Zola, Gide, Mallarmé en Céline met elkaar gemeen? Allemaal tartten ze met hun literatuur burgerlijke normen van smaak, fatsoen en zedelijkheid van hun tijd. In Een explosie van taal onderzoekt Ruud Welten, als hoogleraar filosofie gespecialiseerd in moderne Franse filosofie, de aard van hun literaire provocaties en de betekenis van de literaire provocatie in het algemeen. Welten spreekt met een aan Roland Barthes ontleende term van doorbreking van de heersende symbolische orde en dan weet je dat je midden in de naoorlogse Franse filosofie staat.

Vanzelfsprekend zijn de werken van de respectieve auteurs Weltens belangrijkste bron, maar Sartre en met name diens monstrueus dikke l’Idiot de la famille, over werk en leven van Flaubert, en de restanten van wat is overgeleverd van Sartres analyse van de poëzie van Mallarmé (het manuscript viel ten prooi aan een bomaanslag op Sartres woning in 1962) zijn eveneens veel en vaak door Welten geraadpleegde bronnen.

In het slothoofdstuk tekent Welten de contouren van een taalfilosofie, onder het motto, ontleend aan Flaubert, dat ‘de domheid [erin] bestaat conclusies te willen trekken’. Die contouren komen, uiterst kort samengevat, op het volgende neer: ‘de’ werkelijkheid wordt gestructureerd door taal en daarmee overladen met betekenissen die in en door taal worden gevestigd. Begrip van betekenis schept werkelijkheid, zou je kunnen zeggen. De keerzijde daarvan is dat het onmogelijk is een (de) werkelijkheid buiten de taal met taal te beschrijven. Taal schept orde, een symbolische orde die doortrokken is van ideologie en moralisme. Preciezer uitgedrukt: van de ideologie en het moralisme van de hegemoniale klasse. Maar achter die orde gaat het slechts het niets van betekenisloosheid schuil.

Terug naar Baudelaire, Flaubert, Zola, Gide en Mallarmé. Hun werk werd als provocatie ervaren omdat het gaten sloeg in de symbolische orde en zo zichtbaar maakte wat zich achter of onder de ideeën en waarden van die orde bevond: niets. Kennelijk is de symbolische orde die deze schrijvers met hun werk ondermijnden mede onder invloed daarvan zozeer veranderd dat wij dat werk niet meer als hoogst provocatief ervaren.

Maar ik heb Céline uit dat rijtje weggelaten. Céline is de enige van de door Welten behandelde schrijvers, wiens werk ook anno nu als provocatief wordt ervaren. Wat nog maar weer eens werd bewezen toen nog niet zo lang geleden, na ontdekking en publicatie in 2021 van verloren gewaande romanmanuscripten, Oorlog en Londen, discussies over de verwerpelijkheid van Célines werk opnieuw oplaaiden. Misogyn, grenzeloos vulgair en antisemitisch, hoewel dat laatste verwijt toch vooral voortvloeide uit de reputatie van rabiate antisemiet die Céline verwierf nadat hij kort voor en tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk fel-antisemitische pamfletten publiceerde. Die overigens gretig aftrek vonden: hij verdiende er goed aan.

Anno nu worden vulgaire elementen in Célines werk terecht gezien als een stuwende kracht van de fascinerende stijl, die vrij baan geeft aan frustratie en razernij. Wat (even terecht) als provocerend wordt ervaren is het antisemitische en misogyne karakter ervan. Hoe past dat binnen de contouren van de taalfilosofie die Welten in het laatste hoofdstuk tekent? Niet achter elk, door hem zelf geplaatst vraagteken komt Welten met een helder antwoord in dit interessante, goed geschreven boek, dat geen lezer met belangstelling voor de groten van de Franse literatuur zal willen missen.

Hans van der Heijde

Ruud Welten – Een explosie van taal, provocatie van Baudelaire tot Céline.. Boom, Amsterdam. 252 blz. € 24,90.