Mijn hoogste stemmen liggen braak

Wie krijgt de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut? De winnaar wordt op 16 juni bekend gemaakt tijdens het 42e Poetry International Festival. Eerder besprak Tzum de genomineerde debuten van Lieke Marsman (‘een eigenzinnig en meeslepend debuut’), Marjolijn van Heemstra (‘nog onevenwichtig, al laat Van Heemstra zien mooie gedichten te kunnen schrijven als ze goed begint te kijken’) en Dennis Gaens (‘slaagt als verslaggever, maar als dichter is hij overtuigender als hij onder de oppervlakte probeert te komen’). Tot slot: Y.M. Dangres Meisje dat ik nog moet (De Bezige Bij Antwerpen).

Y.M. Dangre (1987) debuteerde in 2010 met de roman Vulkaanvrucht (Meulenhoff/Manteau). Eerder dook de naam op in Het Liegend Konijn, Met Andere Zinnen en Deus Ex Machina. De verwachtingen worden in zijn poëziedebuut nog voor het eerste gedicht flink opgestuwd, in de biografie op de franse titelpagina: ‘Met zijn debuutbundel Meisje dat ik nog moet bewijst hij dat hij ook op poëtisch vlak een groot talent is’. Ik vraag me steeds vaker af of uitgevers hun protegés wel een dienst bewijzen met dergelijke hoogmoedige randteksten: hier wordt alvast een hoofd op een hakblok gelegd.

Het omslag heeft dan de inzet van de bundel al duidelijk gemaakt: ‘Meisje dat ik nog moet / Meisje dat ik nog moet’. Hier ‘moest’ een meisje, dat inmiddels is afgevinkt, als een gedane boodschap op een lijstje, maar er zullen nog altijd meisjes zijn die de ik nog ‘moet’. Just in case you wonder.

In de eerste afdeling van de bundel, ‘Aurora pro nobis’, bezingt de lyrische ik in negen verzen de Romeinse godin van de dageraad (of iemand die daar voor moet doorgaan):

Eerste Aurora

Aurora, vrouw van diepten
in mijn ochtend en bed,
wanneer je loom de laatste putten
van mijn slaap vult, hijgend
van uitputting die met geen
ademstoot dempen kan.

Aurora, jij die me wijdbeens
wakker maakt met de aubade
van je heupen
(…)

Y. M. Dangre is als dichter op een klassiek-romantische leest geschoeid: er is een ronkend wellustig verlangen dat uitgestort moet in ongegeneerde liefdesgedichten. De dichter bedient zich hierbij regelmatig van grote woorden (‘ziel’, ‘hemel’, ‘liefde’, ‘onvergankelijk’) en archaïsch taalgebruik (‘aubade’, ‘lier’, ‘vlerken’, ‘rondelen’, ‘harpij’, ‘kerfstokken’). Bovendien strooit hij gul met verwijzingen naar de klassieke oudheid (‘mijn Olympus met de stille zon in de keel’), de seizoenen (‘In dit zomerse lied zingen wij van zon’) en dode dichters (Vergilius, Dante). Het geheel maakt hierdoor een wat geaffecteerde en dweperige indruk, zeker voor een jongeling van begin 20.

Een tweede poging:

Tweede Aurora

(…)

Zelfs ’s nachts verken ik jou
zonder stratenplan, gezeten op de achterbank
van je ziel, waar je me besluipt
en lantaarns aansteekt in mijn stem.

(…)

O godin, hou nooit op en omvat
mij, rijd en berijd mij, maak mij
wagenziek van liefde.

Nog een derde, laatste poging:

Derde Aurora

(…)

Maak mij magisch, maak mij opnieuw
een zanger, want mijn hoogste stemmen
liggen braak en bruikbaar onder
de gesloten hemel van mijn huid.

Daarom vraag ik je: knip mij
in stukken met de gulden snede
tussen je benen en vouw me weer
tot een papieren lier, een pratend huis
voor je mooiste schaduw die ik
in mijn gedichten knopen zal.

Gelukkig schenkt de muze de dichter zijn gedichten (‘papieren lier’), maar ook daar laat hij zich de rest van de bundel op voorstaan als ware het een godsgeschenk: ‘Ik ben dichter, maar jij bent beter / wanneer je me volschrijft met strelingen’. En: ‘hoe ik de kousenvoeten kus / waarmee je uit mijn verzen sluipt.’ 

Dangre is weliswaar consequent in zijn toon en pretentie, maar naast de vraag of deze op zijn plaats is, is er haast geen sprake van ontwikkeling in de gedichten binnen een reeks: ze zijn nagenoeg inwisselbaar. Bovendien voert de dichter ons langs veel te veel gemeenplaatsen om nog te verrassen: ‘Door mijn trage dagen blaas jij / een lente’.

Een ander spoor. Zouden we het misschien als erotische poëzie moeten lezen?

Onvergeeflijk ben jij, lieveling,
die in mij zwemt en warm
water draagt naar de navel
van mijn geilheid.

(…)

Onvergankelijk ben jij, lieveling,
met je eb en je vloed waarvoor ik
mijn paal boven water zing
(…)

Het staat er echt. Een paar plaatjes erbij en het kan zo als boeketreekspoëzie in tankstations worden verkocht.

‘De belangrijkste reden is dat er door zo’n kleine kunstgreep een onderscheid ontstaat tussen de mens en de schrijver, waarna die twee als een soort personages kunnen reageren op elkaar. En overigens: een vleugje mysterie kan nooit kwaad’ zegt Y.M. Dangre over zijn ‘dichtersnaam’ in een interview. Ook fraai: ‘Dichters zijn alchemisten, op zoek naar het goud van de schoonheid.’ Dergelijke teksten duiden precies de pretentie die de hele bundel irriteert: hier wordt op overdadige wijze klassiek dichterschap geïmiteerd. Y. M. Dangre lijkt als dichter een eeuw of 25 te laat geboren – zonder dat hij het zelf doorheeft.

Er zijn mensen (ook recensenten) die beweren dat ‘irriteren’ een poëtische kwaliteit is: het ‘roert’ immers, het ‘bevreemdt’, ‘laat je niet onbewogen’, het ‘doet iets met je’ en zo meer. Ik vraag me af of vertolkers van deze opvatting ook na lezing van Meisje dat ik nog moet daar een deugd in zien. En het meisje ‘dat nog moet’? Het is te hopen dat Y.M. Dangre haar niet krijgt. Misschien tempert dat zijn jeugdige overmoed een beetje.

Y.M. Dangre – Meisje dat ik nog moet. De Bezige Bij, Antwerpen. 64 blz. € 14,50.

En: Wie verdient de Buddingh’-prijs 2011?

Met Buddingh’-jury’s weet je het nooit. Vorig jaar toonde het gezelschap zich recalcitrant door te sneren naar ‘de grote uitgeverijen’, drie 40-plussers te nomineren en uiteindelijk niet zozeer de beste (Elmar Kuiper) maar de brutaalste poëzie (van Delphine Lecompte) de prijs te gunnen.

Hoe zijn de kaarten dit jaar geschud? De oogst is divers, maar het jaar zal denk ik niet de boeken ingaan als het startpunt van een nieuwe overdonderende generatie. Dennis Gaens schreef een leesbare en sympathieke generatieschets van zijn generatie die geen generatie is, maar mist te vaak de gelaagdheid die poëzie spannend maakt. Het debuut Marjolijn van Heemstra geeft blijken van talent, maar vliegt ook om de zoveel pagina’s nog flink uit de bocht. (Wellicht nomineerde de jury haar mede vanwege haar slimme en aansprekende promotiecampagne?) De nominatie van dweperige lyricus Y.M. Dangre is ronduit onbegrijpelijk. Dit jaar zou het een daad van pure recalcitrantie zijn als de twintigjarige Lieke Marsman niet de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut krijgt voor haar intrigerende bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud.

Jurre van den Berg