Noach in het golfslagbad

Marjolijn van Heemstra (1981) debuteerde onlangs vrijwel ‘out of the blue’, dat wil zeggen zonder eerder echt gepubliceerd te hebben, met de bundel Als Mozes had doorgevraagd. Waarschijnlijk was dit debuut als zoveel poëziedebuten onopgemerkt voltrokken, ware het niet dat Van Heemstra bekende (Arie Boomsma, Henkjan Smits, Frits Bolkestein) en minder bekende Nederlanders (haar kapper) zover wist te krijgen een gedicht uit haar bundel voor de camera voor te lezen, deze leuke filmpjes op een website zette en daar veel pers mee haalde. Een dichteres die het niet nalaat zichzelf op de kaart te zetten dus. Maar wat blijft er van de gedichten over als ze niet gedragen worden door bekendheden op bewegend beeld?

De eerste afdeling van de bundel bestaat uit anekdotische gedichten die voornamelijk handelen over jeugdherinneringen en andere alledaagsheid. In een poging speelse herkenbaarheid te betrachten voert de underdog Van Heemstra ons mee naar een zandbak (waarin ze naar eigen zeggen zelfs mee mocht blijven scheppen ondanks dat al het zand de bak uitvloog), het golfslagbad met bijpassende ‘onderdoorzwemmat’ en ‘borstcrawltankers’ en naar een patatzaak in het gedicht ‘Nazomervrienden’:

Er hing frituur in ons jas en overschot
aan kaassoufflés. Er was veel wat ongeopend bleef:
het afhaalraam, de biologische cola, de mogelijkheid
dat het allemaal wel meeviel met ons.

De gedichten van Marjolijn van Heemstra hebben iets weg van het vroegere werk van Tjitske Jansen, zoals in Het moest maar eens gaan sneeuwen. Ze hebben iets meisjesachtigs, zijn speels, soms geestig en Van Heemstra toont zich lenig met taal en klank. Echter, veel meer dan een glimlach roepen de gedichten vaak niet op en hilarisch wordt het nooit – zelfs niet als in een verzorgingshuis een van de bewoners tijdens het kerstdiner steeds niet verder dan de eerste zin van het ‘Onze Vader’ komt.

Van Heemstra heeft bovendien moeite met doseren, bezigt regelmatig de overdrijving als stijlmiddel en vliegt daarmee te vaak uit de bocht. Zo mondt het eerder genoemde ‘Golfslagbad’ uit in regelrecht gewauwel (‘een schip een vis een kwal / van licht en lucht van friet en diepte’), waarin Van Heemstra in twee pagina’s niet verder komt dan een voor de handliggende vergelijking met een oceaan met bijbehorende accessoires (een scheepswrak, tropische vissen) en flauw iemand ‘van wal’ laat steken.

Dit is vaker het probleem bij Van Heemstra: ze weet zich moeilijk in te houden – zowel waar het gaat om de taal, als in de toon en lengte van gedichten. Soms lijkt een gedicht mooi te eindigen, bijvoorbeeld het openingsgedicht ‘Ruimtevaarder’ (opgedragen aan André Kuipers – ’s lands trots in de ruimte): ‘jij (…) hebt ontsnappingssnelheid / (…) zwemt in de afwezigheid van grond en getijden / ziet ons voor de vlekken die we zijn.’ Die laatste regel is mooi in zijn eenvoud en verrast: vaak wordt immers beweerd dat mensen vanuit bijvoorbeeld een luchtballon stipjes lijken in plaats van zijn. Eerder sprak Van Heemstra over een ‘nietig sterrenstoffenlijf’. Ze lijkt te willen zeggen dat in het licht van de schijnbare oneindigheid van het heelal de menselijke maat een van verwaarloosbare proporties is.

Echter, op de volgende pagina blijkt het gedicht tot mijn verbazing nog door te lopen, en wordt het erg kinderlijk besloten:

Als jij met niks dan lucht op je rug
in het schijnsel van het eerste moment –
wil je richting het duister draaien
en wil je zeggen dat ik er ben?

Jammer, denk je dan. Soms is het zelfs lastig te beoordelen of de gedichten van Van Heemstra niet meer geschikt zijn voor jongeren dan voor volwassen, want voor die eerste categorie zou haar werk een toegankelijke kennismaking met herkenbare poëzie kunnen zijn.

Het heelal en de ruimtevaart vormen een belangrijk motief in de bundel. Op zich een fascinerend thema en de analogie met het andere bovenaardse (waarover later meer) is evident, maar door de bundel heen verzuipen we in de hemellichamen, astronauten, zwarte gaten, manen en sterren. Het is bovendien jammer dat de twee bovenaardse motieven – toch representanten van tegenstrijdige wereldbeelden van wetenschap en metafysica – nergens met elkaar botsen of in conflict worden gebracht.

De gedichten van Van Heemstra zijn vaak lichtvoetig. Dat is geen (negatief) kwaliteitsoordeel, maar toch zijn de anekdotische gedichten vaak te ‘dun’ voor een volwassen poëziedebuut en slechts op één niveau te lezen. Bovendien ontbeert het de bundel aan thematiek: waar gaan de gedichten echt over? Lichtvoetigheid heeft ook bij van Heemstra als risico dat poëzie vrijblijvend wordt en daardoor niet vaak het niveau van ‘leuke ritmische verhaaltjes’ overstijgt. Zoals in het gedicht ‘Achterop’ bijvoorbeeld:

Tatatata tata!

Het fietsnest maakt zich klaar voor trek
voeten in veters vast
bellen, spaken wind en benen
op de flanken vleugelstrepen

(…)

Naar piano, judo, paarden, zwemmen

(…)

plassen spatten schoenen in

(…)

tegen regen in fluiten we van bijna thuis
maar nooit al helemaal.

Aardig kindervers, maar Van Heemstra schrijft voor volwassenen. Bovendien bedient ze zich hier van een pointe die het gedicht zeker niet beter maakt. Ook dat is in meer gedichten het geval. Als Van Heemstra het wel bij zichzelf houdt, bestaat het risico dat de gedichten erg sentimenteel afsluiten, zoals in ‘Jongen’ (‘De jongen / (…) / had nooit een huis maar koos / in plaats daarvan / mijn pols om in te wonen’), ‘Waar ik ben’ of het pathetische titelloze gedicht met de eerste regel ‘jij in de keuken, ik op de drempel’. Hierin wordt een jongen beschreven die blijkbaar met gevoel een paprika snijdt op het aanrecht, waarbij de ik zich zwijmelend afvraagt hoe het zou zijn als het aanrecht een deel van haar lichaam zou zijn. Los van het wat kleffe idee is het grootste probleem de onverschilligheid van de beelden van Van Heemstra: de jongen snijdt gewoon een paprika, de hand blijft de hand, de arm de arm en het aanrecht het aanrecht waardoor het beeld niet tot leven komt en de scène betekenisloos wordt.

Van Heemstra is vaker weinig overtuigend of slordig met beelden en formuleringen, waardoor haar soms verder mooie of verrassende gedichten aan kracht inboeten. Neem het eerder geciteerde ‘Nazomervrienden’. Los van de rare grammatica (‘ons jas’) lijkt hier een frituurpan in plaats van een frituurlucht in de jassen te hangen. In ‘Naiade’ weet ze een mooi idee zo onhandig te formuleren dat het niet echt uit de verf komt als ze schrijft ’dit heet een boot alleen nog om het water’.

De betere gedichten in de bundel zijn die waarin Van Heemstra wél beheersing en zorgvuldigheid weet te betrachten, zoals in ‘Rabi’a van Basra’ (‘Ze volgt geen mensensporen / Maar een vastbesloten fakkelpad / Rookt de goden uit hum bomen’) ‘Archief’ (‘als een nieuw raam wordt blootgegeven / is dat niet voor verzicht maar / tegen het krimpen van de kamers’) en het sterke ‘Schaduwhuis’.

Schaduwhuis

Ik kwam hier achteloos wonen
van schaduw wist ik niks
hoe het bot krimpt en de planken
kieren schemer broeden

ik had nooit een lijn getrokken
om te zien tot waar de zon komt
Ik wist niets van het meten van licht
van verlangen

naar schaduw van bomen op de ijskast
de trap meer geel dan wit, een raam
dat vet toont een poes
die erdoor wil naar het gras
een plant die opkijkt, dingen
kleiner dan dieren zichtbaar dansend
in rode reuzenwarmte.

Bij het tuinhuis schuift een streep
langzaam sinds maart de goede kant op
tegels vlakbij zijn al verdroogd
een halve meter nog en twee weken
tot de langste dag.

Het is opvallend dat Van Heemstra in deze veelbelovende – zonder uitzondering ruimtelijke in plaats van anekdotische – gedichten ingetogener en vooral nauwkeuriger is – ze heeft echt gekeken met oog voor detail. Dit levert wel overtuigende beelden op: de plant ‘die opkijkt’, het raam dat ‘vet toont’. Ook de toon in deze gedichten is minder schreeuwerig en overdadig vol van klankrijm. Alleen bij de gezochte alliteratie ‘in rode reuzenwarmte’ valt ze weer even bombastisch uit de toon, maar daar lijkt me een taak voor een redacteur liggen.

Haast tenenkrommend is dan weer echter de afdeling ‘Dingenverdriet’, waarin de ik-figuur ongegeneerd haar particuliere hart uitstort over een jongen die haar verliet. Zoals in ‘Laatste gesprek’, als de ik-figuur ‘met overslaande stem / door een afgesleten ether / ons failliet uitpakt’ en de jij, vervolgens, ‘verbreekt het zwijgen met de verbinding.’ We hoeven niet alles te weten, en hier overstijgt de dichteres niet het niveau van doorsnee puberpoëzie.

Van Heemstra studeerde godsdienstwetenschappen, en dat komt vooral terug in de laatste afdeling van de bundel, getiteld ‘Drie stamvaders en één -moeder’. Behalve gedichten over Adam, Noach en Rabi’a van Basra is ook het titelgedicht van de bundel – ‘Als Mozes had doorgevraagd’ – in deze afdeling te vinden.

Anders dan de titel van het gedicht in het licht van de voorafgaande speelsheid doet vermoeden kiest Van Heemstra hier een serieuzere inslag. De dichteres plaatst zich in de schoenen van Mozes, volgens haar ‘iemand van zijn tijd: dankbaar voor het leven, / bang om door te vragen en ook: een man, / die vragen niet zo veel.’ Vervolgens vraagt zich af hoe het was gegaan als zij zelf bij de Horeb, de berg van God, had gestaan. Het oorspronkelijke verhaal in het Bijbelboek Exodus (3: 14) wil dat God zich hier bij de brandende braamstruik aan Mozes openbaarde. Als Mozes vraagt wat hij de andere Israëlieten moet vertellen als ze hem zouden vragen naar de naam van de God volgens wie Mozes hen uit Egypte zal leiden, antwoordt hij: ‘Ik ben, die Ik ben’ – Jahweh, die onuitspreekbare. Even lijkt het weer flauw te worden, als Van Heemstra meent dat het met haar zo zou zijn gegaan:

Ik: Wie ben je?
Jij: Ik ben die ik ben.
Ik: Ik ook.
Jij: Ja, jij ook

Maar vervolgens sluit ze het gedicht zo af:

Dan had ik je aangeraakt en jij mij.
Was de Bijbel geen boek, maar een omhelzing.

Wat spreekt hieruit? Een godsverlangen? Een verlangen tot kennen en weten? Het is moeilijk dit gedicht en de andere in de religieus geïnspireerde slotafdeling te peilen en serieus te nemen na zwierig jeugdsentiment en openlijk uitgestort liefdesverdriet. Uiteraard hoeft een bundel niet altijd uit een stuk te zijn, maar het groteske van de slotgedichten staat haast diametraal op het triviale alledaagse en lichtvoetige van het grootste deel van de bundel – Noach in het golfslagbad, zeg maar. Daarin krijgt de flaptekst gelijk, die exact dat belooft: ‘een even scherp oog voor verheven als triviale zaken’ in een vorm die varieert van een ‘uitbundig theatrale spierballentoon’ tot ‘ingetogen miniatuurtjes’. Ik betwijfel echter of deze mix als een aanprijzing moet gelden: het maakt de bundel vooral onevenwichtig. Bovendien is het oog lang niet altijd even scherp als ons verzekerd wordt, al laat Van Heemstra zien mooie gedichten te kunnen schrijven als ze goed begint te kijken en zich in toom weet te houden.

Jurre van den Berg

Marjolijn van Heemstra – Als Mozes had doorgevraagd. Gedichten. Thomas Rap, Amsterdam. € 15,-.

0