Doorgelichte werkelijkheid

Bij het lezen van Wim Brands’ vorige, alweer vijf jaar geleden verschenen bundel Ruimtevaart bekroop mij permanent het gevoel dat schijnbaar reguliere situaties tegen het licht gehouden werden. Of beter: doorgelicht werden, als een röntgenfoto die dan pas zijn eigenaardigheden prijsgeeft. Wellicht drong daarom een gedicht van Wallace Stevens – naar ik eens meen gelezen te hebben een inspiratiebron voor Brands – zich op: ‘The plain sense of things’ (‘After the leaves have fallen, we return / To a plain sense of things. It is as if / We had come to an end of the imagination’). Nu is er een nieuwe bundel van Brands verschenen bij Nieuw Amsterdam: Neem me mee, zei de hond. In de notie van ‘de dingen zoals ze zijn’ (of ons eenvoudige begrip ervan?) schuilt volgens mij nog steeds de paradoxale essentie van Brands’ poëzie: juist de naakte werkelijkheid is vaak wonderlijk.

Veel van wat de lezer te wachten staat in Neem me mee, zei de hond wordt haast terloops aangekondigd in het titelloze openingsgedicht, dat programmatisch zal blijken:

Zo veel wereld, voor mij
een tanker, een oude
meeuw.
Ik kijk, het huis in mijn
rug, en diep uit een
broekzak mijn bos,
ik vertel verhalen
over alle sleutels.

Ik lees in dit ogenschijnlijk heldere gedicht drie elementen die de thematiek van de bundel zullen gaan beheersen. Ten eerste het primaat van de zichtbare werkelijkheid (‘Zo veel wereld’): de dingen, alledaagse situaties, gesprekken en passanten. Met de toevoeging ‘voor mij’ sluipt er al een klein mysterie het gedicht binnen: ligt die wereld vóór mij (als iets dat daar ligt en zich openbaart), of ligt hij er voor mij (alsof het voor de ik-figuur bedoeld is)? Ten tweede kondigt de dichter aan verhalen te vertellen – een belofte die Brands met het anekdotische karakter van veel van zijn gedichten zal inlossen. Ten derde zijn dit verhalen ‘over alle sleutels’, waarbij het sleutelmotief – de opening – gelezen kan worden als perspectieven op de wereld. Deze kijkgaatjesrol wordt in Neem me mee, zei de hond vaak vervuld door het perspectief van figuranten: vissers, een engel, een schoolmeisje, een dakloze, de Poolse klusser, soms een ongedefinieerde ‘verteller’, ‘hij’ of ‘zij’, of een hond.

Dezelfde hond figureert in het titelgedicht, een nauwgezette vertaling van een titelloos gedicht van de mij tot nu onbekende Amerikaanse dichter Robert Lax (1915 – 2000):

Ben je een bezoeker,
vroeg de hond.

Ja, antwoordde ik.

Slechts een bezoeker,
vroeg de hond.

Ja, antwoordde ik.

Neem me mee,
zei de hond.

Wat doet die hond hier opeens? Is hij de trouwe getuige van wonderlijke observaties? En waarom wil hij ‘slechts’ een bezoeker vergezellen – als een reisgenoot zoals de ik in Nijhoffs Awater die zocht? Kennis van de poëzie van Lax ontbeer ik, waardoor het lastig duiden is. Er zijn meer dichters (Jan Baeke, bijvoorbeeld) die vaak honden in hun gedichten opvoeren, maar dan veelal op een grimmige wijze. Ondanks dat het oorspronkelijke gedicht niet van Brands is, zegt het toch veel over diens poëzie: glashelder en toch geheimzinnig.

Brands is in zijn gedichten vaak een man van weinig woorden. In sobere, soms ronduit schrale taal becommentarieert hij de achteloosheid van de hem omringde wereld en de passanten. De korte regels benadrukken de schijnbare eenvoud, al zijn de enjambementen niet altijd functioneel en soms wat onhandig.

Onderwerpen vinden veelal hun oorsprong in gesprekken (het verhaalmotief: ‘De vissers vertelden dat ze op een dag / de vis met de gouden schubben / zouden vangen en dan stopten. // Ik uitte mijn ongeloof’), herinneringen (in het mooie ‘Staldeuren’: ‘Ik belde je en vroeg / hoe gaat het; // ik ga dood zei je’) en verbeelding (Stevens!). Brands voert personages op die dienen als perspectief op de (hun) werkelijkheid. Hier is echter iets wonderlijks mee aan de hand: waar personages vaak personages blijven, ondergaan ze bij Brands vele metamorfosen, waardoor ze iemand anders worden (‘Ik ken je niet, nee, maar denk te weten wie je bent: mijn grootmoeder / bijvoorbeeld die net als jij Polen verliet’ (…) de Rus naast wie ik soms op een / bankje aan het water zit’), of de dichter hun rol inneemt zoals in ‘Gebed van een zoon’:

Ik kijk naar Kabakovs man. Staand
op een ladder, zijn armen ten hemel.

En ik denk: dat ben ik.
Reikend naar mijn verre vader.

Uit de gedichten spreekt permanente interesse in de onbekende Ander. Wie zijn de voorbijgangers in mijn wereld? In het verloop van de bundel levert dit steeds grimmiger gedichten op, waar ondanks de reekstitel ‘Dood, afwezige’ de dood nooit ver weg is, en de wereld blijft bevreemden. In diens laatste bundel, Toen ik dit zag, citeert Rutger Kopland Pessoa:

je leest bij Pessoa: het is vreemder dan alles
wat vreemd is dat de dingen werkelijk zijn

wat ze lijken te zijn en dat er niets
valt te begrijpen.

Is dat wat Wim Brands ons wil vertellen?

Jurre van den Berg

Wim Brands – Neem me mee, zei de hond. Nieuw Amsterdam. € 10,-.

0