Opgelegde flauwekul

Dertigers van nu hebben het niet makkelijk, althans als we de media mogen geloven. In het spitsuur van het leven moet en wil de dertiger van alles: een leuke partner, bij voorkeur de ware, kinderen met kinderdagverblijf, een eigen huis met hypotheek, een leasebak, carrière en in het weekend party’s om drugs te gebruiken. De dertiger verdrinkt in de ontelbare keuzemogelijkheden. Het is wat.

Gelukkig is er inmiddels voor de vertwijfelde dertiger een keur aan literatuur verschenen die het fenomeen verklaart of die dertiger helpen met tips en trucs. Het voorlopige dieptepunt van deze geproblematiseerde hysterie is wel Het dertigers dilemma van Nienke Wijnants.

En zelfs de poëzie blijft niet verschoont van deze opgelegde flauwekul. Wellicht is dat maar goed ook, want tijdloze gedichten bestaan niet en niets is zo leuk voor een lezer om een bepaald tijdsgewricht te herkennen in het oeuvre van een dichter. Sacha Blé heeft zelfs zijn derde bundel Zie maar geheel gewijd aan de dertiger en zijn geknies. Achtereenvolgens laat hij een bed-and-breakfast eigenares, een Dominicaner novice, een klassiek geschoold gitarist, een thuiswandelaar, een ex-bewoner van een woongemeenschap en een briefdichter aan het woord. De eerste vijf dertigers hebben het, zoals te verwachten, niet makkelijk. In vijf reeksen van zeven gedichten wordt hun innerlijke leven blootgelegd.

VII – PREDIKER 1,8 (3)

Leggen we de agenda vast voor volgende week?
Zoals altijd?

Drie uur gitaar wil ik per dag, van negen tot twaalf,
waarna een duurloop waarna vezels
met yofu en kiwi
Heb je de twee vergaderingen deze week?
Moeten de vuilniscontainers buiten?
Werden de fietsen van de zonen nagekeken?
En van de familie?
En van de buren?

Hoewel de gedichten een heldere toon hebben en een enkele keer zelfs een lichte zweem van humor, is het merendeel helaas vergeven van oeverloos getob. Om nog maar te zwijgen van al die spirituele diarree waar die dertigers aan lijden. De gedichten missen elke vorm van spanning, flair en ongrijpbaarheid.

De briefdichter krijgt als laatste drie lange briefgedichten voor zijn rekening. De ‘brieven’ zijn gericht aan de reeds overleden kunstschilder Gustave De Smet. Deze dertiger haalt in de eerste brief een citaat aan van De Smet:

Ik arbeidde door met den wensch mij stap voor stap te ontdoen van alle cliché’s en van alle goedkoope kunstgrepen. Voortaan wil ik mijn inspannen het innerlijke leven te vertolken, met den grootst mogelijken eenvoud.

De briefdichter verwijst naar dit citaat om aan vrienden en familie uit te kunnen leggen wat hij met zijn gedichten voorstaat, om zich vervolgens te verliezen in onnodig gedetailleerde beschrijvingen van zijn verblijfplaatsen.

Omwille van de anderhalvemeter dikke muren, de hoge stalen ramen met enkelvoudig glas, de stugge, gemetselde booggewelven, de afgesleten zwarte natuurstenen vloeren, de kleine houtkachel, het schaarse blankhouten meubilair, de roodbruine, gebloemde fauteuils en de kleine, blauwwitte badkamer, waren het onze ideale ruimtes.

Een alleraardigste ironie voor wie er oog voor heeft, maar wat de briefdichter precies wil bewerkstelligen met zijn drie briefgedichten aan Gustave De Smet wordt niet duidelijk. Sacha Blé toont met de zes dertigers, die hij in Zie maar aan het woord laat, nauwgezet waar het dertigers dilemma voor staat; er knaagt of ontbreekt iets, maar wat precies is niet te achterhalen.

Daniël Dee

Sacha Blé – Zie maar. Gedichten. De Contrabas. € 15,00.

0