Alles in een ander licht

De nieuwe bundel van Edwin Fagel, Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin, geeft je permanent het gevoel rond te dolen: deuren gaan open en dicht, personages verliezen als in een droom hun vaste vorm. Wie zijn zij? En van welke devotie zijn we getuige?

De poëzie van Edwin Fagel bezorgt de lezer een onhedendaagse mystieke ervaring. Al vertelt de dichter in zijn onlangs bij Nieuw Amsterdam verschenen tweede bundel een ogenschijnlijk helder verhaal. In de eerste afdeling, ‘Ineens stond alles in een ander licht’, overlijdt een vader (‘Hij ging liggen / op de bank’), in de volgende reeks, ‘Contouren’, een moeder (‘Toen ze stierf // zocht ik haar, zag ik haar’). In ‘Departures’ wordt vervolgens afscheid genomen: ‘ik dacht / aan de sjaal die je droeg // die laatste keer, de onhandige beweging waarmee je zwaaide / terwijl de treindeuren zich langzaam sloten.’ Wat rest is een ‘Gesprek met de serveerster’, die al eerder in de bundel opdook en al dat gedicht maar flauwekul vindt: ‘Het is voor niets’.

Maar verder is niets wat het lijkt. Zo stappen we samen met een ik-figuur in het openingsgedicht een stationshal binnen:

Op het station aangekomen spreid ik mijn jas uit

en ga erop liggen. Ik haal rustig en regelmatig adem.

En terwijl ik in de lichte hal in slaap

val dreint een stem door de ruimte: Iedereen

leeft. Mijn lichaam is me vreemd.

Het lichaam (‘een monument’) neemt een centrale plaats in Fagels werk in, al is de relatie ambivalent: ‘Het lijf waar ik mee worstel is me vertrouwd’. Van wie is bovendien het lichaam? Als in een film van David Lynch lijken (de geesten van) personen zich in meerdere lichamen van mens of dier op te kunnen houden, als inwisselbare omhulsels van identiteiten. Als contouren, inderdaad. De gedichten doen daarbij filmisch aan, maar op een lucide, dromerige manier: taal en beelden zijn helder, maar aaneengeregen is er geen logisch verhaal van te maken. They make no sense. Zelden is er sprake van eenheid van plaats, tijd of handeling binnen een gedicht. Alles kan wentelen met de strofe, zoals in de stationshal waar we ons bevonden:

Als ik mezelf door de draaideur

naar binnen zie komen / naar buiten zie gaan

is mijn gezicht nat.

Een onopgemaakt bed achter glas

een bleek gezicht, een vrouw

laat bedachtzaam de luiken voor de ramen neer,

ik begin te zingen.

Als in – opnieuw  – een droom (‘verdomme dacht ik, ik droom dit leven’) neemt het ik-personage zichzelf herhaaldelijk waar, als toeschouwer van zijn eigen leven, maar waar zijn we beland en wat gebeurt hier? Open- of dichtgaande deuren markeren als terugkerend motief de overgang naar een andere plaats (‘ze spuugde op de vuile stationsvloer, het was benauwd // in de slaapkamer) of toestand. Alsof de mentale plattegrond van de bundel een groot grensgebied is waar oriëntatie onmogelijk lijkt. Maar de lezer is niet de enige die zijn plaats zoekt:

Wie is mijn vader? Wie is mijn moeder?

Waar is mijn huis? Waar is mijn lichaam?

Help me,

ik heb zo lang gewacht

ik heb zo lang op je gewacht.

De ontreddering en devotie spreken voor zich, maar tot wie of wat? Tot de reiger, die na het overlijden van vader als in een magisch-realistische wending verschijnt?

Een reiger stond die ochtend bij zonsopgang

voor de deur. Hij kwam naar buiten, ik herkende hem

aan zijn bril. Hij stak over, ik weet niet

wat hem bezielde. Ik besloot hem te volgen

alsof hij mij broer was.

Wat doet die vogel daar opeens? De reiger als het zwijgzame, spirituele symbool van vernieuwing? Een Messias, of andere reïncarnatie? Zoals in de aantekeningen achterin de bundel valt te lezen werd het lichaam van de op 25 december 1977 aan een hartstilstand overleden Charlie Chaplin nog geen drie maanden later uit het graf geroofd. Er werd losgeld geëist, maar de daders werden gepakt. Het lijk werd elf weken later teruggevonden bij het Meer van Geneve, en werd herbegraven onder 180 centimeter beton. De opvallende bundeltitel met de verwijzing naar Chaplin is in eerste instantie lastig te plaatsen. In de gedichten van Fagel valt weinig te lachen. Ook moderniteit speelt bij Fagel geen rol. Wat wil het ons dan zeggen? De anekdote bewijst de schendbaarheid van het lichaam, dat slechts op bruuske wijze geïsoleerd kan worden. Dan komen we niet dichterbij. Of misschien toch, als Fagel zich bij hoge uitzondering tot een voor zijn werk atypische, poëtische vergelijking wendt:

We spraken over voetbal en dat bleven we doen

zoals kraaien nog dagenlang roepen

op de plek waar hun jong verdween.

Jurre van den Berg

Edwin Fagel – Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin. Nieuw Amsterdam, 48 p.,  € 14,90.

Reacties