Zonder kinderziekten

Uitgeverij De Bezige Bij is vooral een uitgeefhuis van oude mastodonten, maar zo af en toe verschijnt er een nieuw talent in het poëziefonds. Jan-Willem Anker (1978) is volgens mij de jongste poëet bij de Bij. Zijn debuut Inzinkingen verscheen vorig jaar. Ondanks zijn leeftijd heeft Anker zich gelukkig niet laten verleiden tot het schrijven van poëzie die typerend is voor zijn leeftijd. Geen grote woorden, geen idiote vergelijkingen, geen verbindingen godzijdank met hip-hop, rap of wat dan ook. Het modernste wat je tegenkomt is een televisie en die wordt ook nog gebruikt om zelfmoord mee te plegen (in het gedicht ‘Een brug af’). Als ze gezegd hadden dat Anker 53 was, dan had ik het ook geloofd. Dat bedoel ik als compliment, want Inzinkingen lijkt me een bundel zonder kinderziekten.

Ars poetica (onvolledig)

Ook wil ik een kinderlijk soort verwarring –
eens stond ik voor mijn grootvaders landkaart
louter oog aanraking zachter dan wolken parfum
trachtte voorbij mijn blik zonder de schellen te zien
maar ik herkende de continenten en schiereilanden niet
omdat ik dacht vanuit de vorm van de omsluitende oceaan.

In het bovenstaande gedicht geeft Anker een programmatisch en ironisch beeld van zijn dichterschap. De dichter zou graag terug willen komen bij die kinderlijke verwarring van twee keer ‘verkeerd’ zien. Hij wil zien ‘voorbij zijn blik’, wat ik interpreteer als meer dan het waarneembare, maar hij bemerkt dat hij geen houvast heeft omdat vanuit de verkeerde vorm denkt. Die verwarring wil hij blijkbaar oproepen, alhoewel het slechts een voorlopige, want onvolledige ars poetica is.

In de afdeling ‘Wanen naar het wit’ waar Anker de verschillende varianten van de kleur wit onderzoekt en de afdeling ‘Het gat in de liefde heet grauw’ waarin een vertrokken (?) geliefde voorkomt is hij ook op zoek naar dat wat je niet precies benoemen kunt, naar datgene wat buiten de waarneming valt.

Daartegenover staat een vrij concreet gedicht dat geheel voorstelbaar is en precies beschrijft wat je kunt meemaken op zo’n grijzige winternamiddag, half slapend, half wakend in je stoel.

Feierabend

Zijn hoofd schommelt
in slaapstand

een pauzehoofd
vol denkbeeldige bries

louter donkere omtrek.

De stoel is een zuignap
maar het lijf kleeft terug.

Het been stuiptrekt
om iets weg te schoppen

iets koppigs op de voet
een octopus misschien.

De tv brandt het testbeeld
de panopticumstille kamer in

maar wat zwart is blijft
ook beschenen zwart.

Scheert autolicht vleermuizig
over de wanden

hij schrikt niet op, nee gaat
in zichzelf ten onder.

Een sinister gedicht met mooie taal (‘een pauzehoofd / vol denkbeeldige bries’) waarbij je de beklemming direct meevoelt. Hetzelfde gebeurt in de cyclus ‘Tumor’ waarin Anker het stervensproces van iemand met kanker beschrijft. Hij kiest daarin voor het perspectief van een ‘je’ en beschrijft, haast van binnenuit, hoe het ziekteproces verloopt.

De scheurkalenders dunnen uit

je verfrommelt tal van spreuken

in je trommelvliezen ritselt het
dikt de bloemige vleespastei in
veulenmilt vers uit de bek of zult

komkommerverhalen stollen
tot een reliëf van geroezemoes

Inzinkingen is een ijzersterk debuut: leeftijd doet er niet toe voor wie mooie gedichten maakt.

Coen Peppelenbos

Jan-Willem Anker – Inzinkingen. De Bezige Bij, Amsterdam. 64 blz. € 16,50.

Verscheen eerder op Literair Nederland, 17 april 2006