Schipperen om te overleven

Het schrijven van een necrologie is de constante in de drie stukken die Arjan Peters bundelde in Kreten uit een urn. Het laatste stuk in deze geniete brochure is een in memoriam over Michael Zeeman, de voorganger van Peters bij de krant, lange tijd ook zijn collega. Een ‘strijder tegen de middelmaat’ noemt Peters hem in de titel van het liefdevolle stuk dat eerder in de Volkskrant verscheen. Het tweede stuk is de tekst van een lezing, gehouden op een Tirade-avond waarin Peters op een humoristische de kunst van het schrijven van necrologieën toelicht. Het eerste stuk begint met de vaststelling dat er wel uitzonderlijk veel gestorven werd door schrijvers in 2012, onder die doden: Gerrit Komrij. De laatste dichtregels uit het ‘Dodenpark’ zorgden voor de titel van de lezing en dit boekje.

We spraken niet. Wat viel er ook te zeggen?

We dachten maar aan een maan en aan zweet.

O, nergens heerste er ooit zo’n rust. Slechts

Af en toe klonk uit een urn een kreet.

Is een literair cirictus ‘iemand als in het gedicht van Komrij, een relict in een urn op een dodenpark, wiens recensies als nagekomen kreten uit de urn de rust van het dodenpark dat de literatuur thans is eerder nog benadrukken dan onderbreken?’ vraagt Peters zich af.

De ondertitel van de lezing is De criticus in deze tijd en je verwacht dan een positiebepaling van de een van de topcritci van deze tijd. Die positiebepaling staat pas op het einde. Daar geeft Peters aan dat een criticus in deze tijd een schipperaar is (hij zegt dat in navolging van Ter Braak).

Hoe beter de criticus het schipperen onder de knie heeft gekregen, tussen wat lezers willen, wat de hoofdredacteur graag ziet, wat marketing- en advertentieafdelingen zouden willen, én wat hijzelf wenselijk acht met zijn evangelie dat uit drie woorden bestaat (nieuwsgierigheid, hartstocht en stijl), zonder het hoofd te buigen en in mismoedig gefoeter te verzinken over de in stukken en scherven uiteengevallen wereld van vroegere – hoe beter hij heeft leren schipperen, betoog ik, hoe grotere overlevingskansen hij heeft.

Je snapt nu waarom Peters naast Torgny Lindgren ook Heleen van Royen interviewt voor zijn krant. Daarom opent het boekenkatern de ene week met Thomas Mann en de andere week met Paulus de Boskabouter, stelt Peters. Dat klopt niet helemaal, want het boekenkatern opent elke week met de rubriek ‘De boekenkast van’ en in die rubriek zien we het schipperen van de moderne literaire krantenman terug. Een lullig rubriekje, zoals alle tijdschriften een lullig rubriekje hebben als openingsbladzijden, allemaal klonen van de rubriek Buis&Haard in de Varagids. Met louter stukken over Petrarca vang je geen lezers. Ik schrijf dit zonder ironie: een krant (en ook een weblog) moet letten op succesvolle formules bij de concurrenten en die ideeën overnemen met een eigen twist eraan.

Ik ben het dus volmondig eens met de conclusie van Peters en het zou mooi zijn als de lezing die eraan vooraf ging, zou ingaan op dat schipperen, de keuzes die je moet maken omdat de advertentieafdeling of de hoofdredactie daarop aandringt. Het probleem is echter dat de rest van de lezing ingaat op een andere vraag, namelijk of de literaire kritiek dood is. We krijgen een opsomming van terzijdes, slecht gekozen vijanden, oude vetes en snaaksheden die in de zaal voor veel vrolijkheid zal hebben gezorgd, maar nogal armoedig overkomt in dit boekje. Dit is de middelmatige Peters die zich snerend een weg baant, niet de erudiete criticus die we kennen van eigenzinnige columns, mooie interviews en gedegen kritieken.

De eerste man die aangevallen wordt is Marc Reugebrink die ooit in De Standaard schreef dat negatieve recensies een vorm van broodroof waren en dat het daarom aan te bevelen is om alleen positieve recensies te schrijven. Peters neemt alleen dat gedeelte van het stuk ernstig en maakt zijn punt: ‘dán is de rol van de kritiek definitief uitgespeeld, omdat je de jubelzangen met een gerust hart aan de flaptekstschrijvers en pr-afdelingen van de uitgeverijen kunt overlaten.’ Punt gescoord. Maar als je het stuk van Reugebrink overleest, dan kan ik zijn oproep tot het schrijven van positieve recensies alleen maar lezen als een groteske overdrijving. Een overdrijving die voortkomt uit zijn analyse van de manier waarop tegenwoordig gerecenseerd wordt: in te kleine stukjes, met een sterrensysteem en met een slechte onderbouwing. Dat is de kern van het betoog van Reugebrink, oud-criticus van de Volkskrant.

De andere tegenstander die Peters kiest is Lucy Th. Vermij, hoofdredacteur van Boekblad, die stelde dat ‘verkoopcijfers tegenwoordig een grotere rol spelen in de waardering dan literaire kwaliteit.’ Vermij wordt door Peters weggezet als ‘een zogenaamde journaliste wier werk het is om haar broodheren, de boekhandelaren en uitgeverijen, lippendienst te bewijzen.’ Wie zich de controverse tussen Joost Zwagerman en Arjan Peters herinnert (Peters schreef voor de ene broodheer venijnige recensies en voor de andere broodheer lovende stukjes over een en hetzelfde boek), weet dat dit uit de mond van Peters een wat opmerkelijke aanval is. Bovendien wordt de uitspraak van Vermij ondersteund door onderzoek: lezersrecensies, op bijvoorbeeld Amazon.com, spelen een steeds grotere rol op de boekenmarkt. Daarnaast blijkt dat die lezersrecensies in hun kwaliteitsoordeel niet heel erg verschillen van de kwaliteitsoordelen van critici.

Dan herhaalt Peters een conclusie van Jos Joosten dat de kritiek op internet nog niets voorstelt en doet hij net alsof Joosten gedegen bronnenonderzoek heeft gedaan, wat bijvoorbeeld op De Contrabas, duidelijk is tegengesproken. Let wel: Peters is niet tegen internet. Hij heeft daar Simone van Saarloos weggeplukt, de enige jonge recensent van de boekenbijlage en reken maar dat zij ‘blij is dat ze eindelijk gelezen wordt’. Wat is de onderliggende gedachte van die opmerking? Dat iemand die op internet publiceert niet gelezen wordt? Moeten we die discussie opnieuw voeren? Ik kan op deze site per recensie precies nagaan hoeveel mensen die recensie gezien hebben, hoe lang ze de recensie bekeken hebben. Ik ken de cijfers van andere websites niet, maar ik zie dat de bezoekersaantallen van Tzum enorm groeien per jaar, terwijl ik van de Volkskrant alleen de oplagecijfers ken van de gehele krant (gaan elk jaar omlaag), niet het aantal lezers van de boekenbijlage, laat staan de lezers van de stukken van Saarloos.

Het is goed om nog even naar die conclusie te gaan: Peters vindt zichzelf een schipperaar, een moderne criticus moet schipperen. Het enige wat hij tot zover gedaan heeft, is anderen die vraagtekens zetten bij de functie van de criticus half citeren, fout lezen of met een sneer de mond snoeren. In deze lezing, ongetwijfeld tot plezier van de toehoorders, worden ook enkele schrijvers genoemd. Marcel Möring wordt weggezet als iemand die alleen maar pleidooien houdt voor de boeken die hijzelf schrijft en Nico Dijkshoorn als een ‘huisdichter die nog nooit één gedicht geschreven heeft’ (dat is dan wel weer een trefzekere typering). Oek de Jong wordt, net als in de recensie in de Volkskrant, afgezeken, terwijl VSV van Leon de Winter wordt opgehemeld: ‘het boek laat zien hoe dun de grens is tussen de alledaagsheid en de waanzin, en hoe groot de gevaren zijn van een onttoverde wereld, van een harde wereld die het naast elkaar bestaan van twee of meer waarheden niet duldt.’ Een mooie formulering, maar zo vaag dat zij net zo goed past bij elk boek van Appie Baantjer. Over flaptekstproza gesproken.

Zit hier de kern van het schipperen? Dat een van de belangrijkste critici van ons land niet de literaire kwaliteit van Pier en oceaan ziet van Oek de Jong en wel de literaire kwaliteit van regelrechte lectuur als VSV. Een criticius die eerder al Haantjes van Kluun vier sterren toebedeelde. Ik heb niets tegen lectuur, sterker nog, ik schrijf het soms zelf, maar een criticus moet wel het onderscheid maken tussen literatuur en lectuur. Ik ben wel benieuwd wat Michael Zeeman zou vinden van de laatste Leon de Winter en de laatste Kluun.

Maar Peters is nog niet klaar, want voordat hij bij die conclusie komt die niets te maken heeft met alles wat hij daarvoor schreef, is het nog tijd om een tik uit te delen aan enkele collega’s. Natuurlijk aan Elsbeth Etty, met wie Peters al jarenlang een onderlinge vete uitvecht, aan Jaap Goedegebuure van wie hij verklapt dat hij jaren geleden bedelde of hij recensies voor de Volkskrant mocht schrijven (en die nu asiel heeft gevonden bij Trouw). Aan collega’s uit de regio ‘want veel provinciale kranten (zoals Het Parool) schrijven ongegeneerd passages inclusief citaten uit recensies over, en slagen er dan ruimschoots in om in hun eigen helft de nodig fouten te maken.’

Aan John Jansen van Galen besteedt Peters zelfs een hele bladzijde, want die had in Het Parool de ligging van de vinexwijken in Méér Vinexvrouwen foutief geplaatst omdat hij abusievelijk dacht dat een fotobijschrift in de Volkskrant bij een recensie van de hand van Peters de juiste plek weergaf. ‘Door de mand gevallen,’ smaalt Peters. De chef van de boekenbijlage had overigens niet zo ver van huis hoeven zoeken. Zijn eigen recensente Daniëlle Serdijn schreef een ultrakorte negatieve recensie over Juni van Gerbrand Bakker. De recensente liet de roman afspelen op Texel. Door de mand gevallen, boek niet gelezen, maar dan in de Volkskrant.

De humor van Naima El Bezaz ontging Jansen van Galen bovendien, en dat was wel het meest kwalijke aan diens recensie. Peters ging zelfs zover dat hij een ingezonden brief naar Het Parool schreef, een brief die niet geplaatst werd. Maar over humor die een recensent ontgaat had Peters ook niet zo ver van huis hoeven gaan. Neem bijvoorbeeld Daniëlle Serdijn, de voormalige fakerecensieschrijfster en flaptekstveredelaar van Opzij, die in een recensie van minder dan driehonderd woorden het boek Shanghai Massage van L.H. Wiener afkraakt. ‘Een roman’ noemt ze het boek abusievelijk. Ze vindt het boek te veel lijken op eerdere werken, vat op minieme wijze enkele passages samen en sluit af met wat zij een rommelige zin noemt. Een zin waarvan zij de humor niet ziet, misschien de stijlgrap niet herkent. Als je bij één schrijver naar hartelust mooie zinnen kunt vinden, dan is het bij L.H. Wiener. Een schrijver wiens oeuvre een geheel is. Als er iemand is die dat snapt, is het Arjan Peters die ooit een prachtig interview maakte met de auteur. Waarom laat hij dan Serdijn zo’n flutrecensie schrijven?

Ik snap deze lezing van Arjan Peters niet. Alsof een kickbokser eerst scheldend in de ring staat, tegenstanders onder de gordel schopt, een stuk uit het oor van de opponent bijt en daarna voor de camera verklaart dat hij eigenlijk een bedeesde, twijfelende jongen is. Als de bewering van Peters klopt, dat een criticus vooral moet schipperen, dan wil ik wel eens het eerlijke verhaal achter het maken van de boekenbijlage horen. Welke deals sluit Peters, welke vriendschappen heeft Peters, welke schrijvers worden uit persoonlijke rancune geweerd? Waar vindt hij dat hij een knieval maakt voor de commercie? Waarom schrijft er geen enkele criticus van het statuur van Michael Zeeman meer in de krant? Wat vindt hij werkelijk van die sterretjes, van die ultrakorte recensies? Wanneer was de advertentie voor een boek van belang voor de plaatsing van een recensie? Dan krijgen we misschien een echt beeld van de criticus in deze tijd.

Coen Peppelenbos

Arjan Peters – Kreten uit een urn. De criticus in deze tijd. Vantilt, Nijmegen. 32 blz. €9,95.

0

Reacties