Een pleidooi voor het boek en boekenverzamelingen

Zozeer als ik van boeken houd, ik zie mezelf niet als een geobsedeerde bibliofiel. Graag bezit ik van een boek dat me om enigerlei reden dierbaar is een eerste druk, maar als het niet anders is kan ik met een tweede of een derde druk ook leven, en antiquariaten en veilingen aflopen om die eerste druk toch te bemachtigen doe ik niet. Boeken zijn voor mij synoniem met lezen: een boek dat ik in handen krijg kan er nog zo mooi uitzien of een door velen begeerd collector’s item zijn, als het mij niet meteen van een paar uur leesplezier verzekert laat ik het op de plank staan. Verzamelen omwille van het verzamelen is me vreemd: ik weet dat het uitzichtloos is, en daar berust ik in.

büch bibliothekenHoe anders vergaat het Boudewijn Büch! Vanaf zijn jongste jaren is hij door boeken omringd geweest, zijn vader noemde de privé-collectie thuis de Bücherei. Tijdens een fietsvakantie naar de Ardennen — Büch was vijftien — gingen de Gespräche mit Goethe van Johann Peter Eckermann mee, en na aankomst in een Luxemburgs dorp moest meteen de Lesehalle worden bezocht. Boeken, en alles wat ermee samenhangt, werden voor Büch een obsessie — hij werd bibliofiel en zelfs bibliomaan. ‘De zangen van twee twintigers (1925; geschreven door Achterberg en Arie Jac. Dekker) is misschien wel het meest gezochte boekje uit de moderne Nederlandse literatuur,’ weet Büch. ‘Ik ken verscheidene personen die voor het bezit daarvan een moord zouden wensen over te hebben. Daartoe reken ik overigens ook mezelf.’ Hoewel het vermoedelijk alleen bij wijze van spreken is, duidt dit citaat er toch op dat ‘wanhoop het centrale thema van iedere bibliofiel’ is. En dus van Boudewijn Büch.

Wanhoop, oftewel het permanente besef van onvolkomenheid en onvolledigheid, komt in Büchs werk niet alleen tot uitdrukking in de gedichten over de dood (Droevige liedjes voor de kleine Gijs) en in zijn bij tijd en wijle moeizame verhouding tot pedofilie en homoseksualiteit (De blauwe salon), maar ook in de reizen die hem over de halve wereld voerden, op weg naar verafgelegen eilanden en bijzondere bibliotheken. Reizen is immers óók dromen en zoeken — een vorm van melancholie. Nu Büchs oeuvre omvangrijk begint te worden, blijkt het consistenter te zijn dan ik lange tijd voor mogelijk had gehouden, in de veronderstelling bovenal met een poseur van doen te hebben.

Het boek over bibliotheken, dat dezer dagen verscheen, moest geschreven worden, aldus Büch. ‘Dat wist ik al toen ik in het midden van de jaren zestig als armoedig scholier op de scooter terecht was gekomen in de bibliotheek van Barcelona. Eind jaren zestig begon het grote gereis: samen met een enigszins welgestelde vriend (die zorgde voor het geld; ik, tijdens de eindeloze autoritten, voor vrolijk jongensgekwebbel, zoals hij zei) kwam ik in beroemde, grote, rijke en niet eerder voorgestelde bibliotheken. Het begon in Antwerpen, Düsseldorf, München en Zürich…, en daarna volgden Oxford, Cambridge, Weimar, Parijs, Bordeaux en op kosten van radio-omroepen en kwaliteitscouranten’ tal van bibliotheken buiten Europa. De kwaliteitscourant is ditmaal Vrij Nederland: Büch schreef zijn thans gebundelde artikelen over bibliotheken in 1982 op uitnodiging van Doeschka Meijsing en Carel Peeters, redacteuren van het weekblad.

De beschreven bibliotheken zijn over de hele wereld verspreid. Om er een paar te noemen: de Zentralbibliotek in Weimar, waar Goethe eens de scepter zwaaide; de biohistorische Artis-bibliotheek in Amsterdam; de Public Library in Auckland, Nieuw- Zeeland (‘een bibliotheek waarvoor Amsterdam, Parijs of New Vork zich niet zou behoeven te schamen’) en de Strahov-bibliotheek in Praag, waar de conservatoren bleek wegtrekken zodra de naam Kafka wordt gefluisterd. Büch legt in zijn verkenningen de nadruk op literaire bibliotheken, maar ook farmaco- en medicohistorische bibliotheken hebben zijn belangstelling. Anderssoortige bibliotheken, en — geografisch gezien — de bibliotheken in Amerika, Afrika en Azië bleven noodgedwongen buiten het bestek van het boek.

De artikelen, twaalf in getal, getuigen behalve van Büchs passie van een gedegen studie: ze zijn goed gedocumenteerd en uiterst gedetailleerd, en natuurlijk bevat het boek een excellente bibliografie voor wie van bepaalde feiten of details meer wil weten. Het kan niet zorgvuldiger.

Politiek

Zo matig als het voorwoord van de bibliothecaris Ernst Braches me kon boeien (het behelst een analyse van Büchs werk, die uitmondt in de conclusie dat ‘dat in de poëtische ruimte van Boudewijn Büch de bibliotheken (zijn) opgenomen, als bewaarders van het witte vierkant dat de dood bedwingen moet’ — een verwijzing naar één van Büchs gedichten), zo onderhoudend vond ik Büchs eigen inleiding, onder de titel ‘Boekenhaat, boekenliefde en bibliotheken’. De gelegenheid die deze inleiding (en ook het nawoord, overigens) hem biedt, grijpt Büch onder meer aan om het bibliotheekbeleid van de Nederlandse overheid fel te hekelen, in het bijzonder de afbraak van het aanschafbeleid. ‘Deze financiële kneveling maakt van boekverzamelingen stervende en daarna dode collecties. Een cultuur die zich niet verdedigt — dus ophoudt met zichzelf in geschriften bijeen te rapen — is op een gegeven moment geen cultuur meer.’ Daarin heeft Büch gelijk, denk ik, het is een waarschuwing die niet luid genoeg kan klinken, óók omdat de moderne bibliotheken niet alleen verzamelingen van boeken zijn maar tevens wijkplaatsen en rustpunten voor wie niet dertig of veertig uur per week bezigheden en verplichtingen heeft.

‘De afbraak van de Beeldende Kunstenaarsregeling (BKR), de beschadiging door een getormenteerde artiest van een Rembrandt, het niet langer subsidiëren van damestouwvlechtclubjes, hebben in de late jaren zeventig en in de eerste van tachtig in de regel meer opstoot en actie opgewekt dan de systematische afbraak van het bibliotheekwezen’ — in Nederland en België. Tragisch, vindt Büch, en hij beschouwt zijn boek als ‘een pleidooi voor het boek en boekenverzamelingen’, tegen de heersende teneur in.

Bibliotheken is een interessante studie, deze Boudewijn Büch een man naar mijn hart.

Anton Brand

Boudewijn Büch – Bibliotheken. De Arbeiderspers, Amsterdam, 232 blz.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in het Nieuwsblad van het Noorden, 8 augustus 1984.

0

Reacties