De taal heeft het laatste woord

De Franse schrijver en dichter Jean Giono (1895 – 1970) – naar wie in 1990 een literaire prijs is vernoemd – was soldaat in de Eerste Wereldoorlog. Hij hield er een lichte gasvergiftiging aan over en begon zijn ervaringen allereerst in verzen te gieten. Gevolgd door dichterlijke romans waarin hij voornamelijk zijn geboortestreek Alpes-de-Haute-Provence bezong. De natuur als tegenwicht voor dood en verderf. Ook in zijn vroege roman De grote kudde (1931) zoekt hij een balans tussen het dagelijkse leven in het zuiden van Frankrijk en de realiteit van de loopgravenoorlog. Giono laat op overtuigende wijze deze twee extreem contrasterende werelden naast elkaar bestaan, in elkaar overvloeien.

giono kuddeDe grote kudde staat in eerste instantie voor de herders die op de vlucht voor het oorlogsgeweld hun dieren naar vreedzamere gronden in het zuiden voeren, voor de stroom van vluchtelingen (mens en dier) die altijd op gang komt bij een geëscaleerd conflict. Maar evengoed slaat het op de hordes van soldaten, vriend en vijand, die over de slagvelden worden gejaagd. En uiteindelijk refereert het aan de kudde waar wij allen deel van uitmaken, namelijk de mensheid. Iets wat in dagen van oorlog zo eenvoudig, zo gemakshalve over het hoofd wordt gezien.

Veel werk over de Grote Oorlog is direct na afloop, zeg maar met de hete grond nog onder de voeten, de wereld ingebracht. De verslagen zijn begrijpelijkerwijs vaak door sentimenten gekleurd. Dergelijke documentaires zijn nuttig, zijn noodzakelijk. Anderen, zoals Giono, hebben de herinneringen hun etsende werk laten doen. De romans die zo ontstaan hebben iets van schilderijen. Opnames van diep genestelde gebeurtenissen en gevoelens. Het wezen, de kern van de beleving. In het geval van De grote kudde een impressionistisch mozaïek, van natuur, van leven en van dood en verderf. Onlosmakelijk met elkaar verbonden, tot elkaar veroordeeld.

Alleen als je zelf deze waanzin hebt doorleefd, als je door je protesterende inborst tot frontschrijver bent gebombardeerd én de moed kunt opbrengen om ‘af te koelen’ – tja, hoe lang heb je daar eigenlijk voor nodig? – kun je op deze wijze over zoiets ingrijpends schijven. Giono verzandt niet in ellenlange beschrijvingen van bloederige slachten, maar kent de kracht van het detail.

In de modder lag een stuk vlees zo groot als een vuist, met rood en zwart bloed en wat witte stukjes eiwit in de vezels. Er kleefde nog een stuk gaas op, als teken van leven.

Een van de soldaten heeft een brief van zijn liefje gekregen, voor zijn maat was er geen post. Intenser dan dit kun je de eenzaamheid, de heimwee naar thuis, naar een klein beetje warmte en geborgenheid niet verwoorden:

‘Leen me je brief even,’ zei hij. ‘Ik kijk niet naar jouw zaken. Ik lees alleen maar de liefhebbende woorden.’

Om even later het aanbod af te wijzen. Mannen van stavast immers. Ze zal toch wel schrijven.

En hij ging boven aan de trap zitten met zijn rug naar de koude plaat van de witte dag.

Bij Giono heeft de taal het laatste woord. De taal als werktuig, zonder dat de schrijver, zonder dat de soldaat erin doordringt. De grote kudde is een boek van hoop, van het, soms tegen beter weten in, vastklampen aan de schoonheid op deze aardbol, binnenin en buiten de mens. Van verzet tegen het kwaad, zoals Giono na zijn soldatentijd zelf pacifistisch-anarchistisch was geworden, een pantheïst, een zoeker naar harmonie. Principieel tot het uiterste. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd hij gevangengezet vanwege dienstweigering, aan het einde vanwege de steun aan het Vichy-regime. Hij had genoeg strijd gezien.

Wanneer in de roman een louche handelaar in het zuiden bij een boerderij de geiten komt confisqueren, weigert de boer. Hij vindt het genoeg dat zijn zoon, het koren en het paard al zijn ingezet. De oorlog wil alles, maar die paar geiten van hem krijgt hij niet. Het is genoeg! De roman eindigt met de zeer plastisch beschreven geboorte van een kind. Niet voor niets is het boek opgedragen aan een dode man én een levende vrouw. Een vast geloof in de goedheid van de wereld, in de wederkerigheid, is de enige uitweg. Jammer dat de mens zo’n hardleers wezen is.

Guus Bauer

Jean Giono – De grote kudde. Vertaald door Liesbeth van Nes. De Bezige Bij, Amsterdam. 202 blz. € 16,90.

2