In mijn roman zit geen woord fictie

Niet eerder voerde ik een gesprek met een beugel dragende auteur. Ik ontkom er niet aan om de schrijver en socioloog Edouard Louis (1992) als slachtoffer te zien: de Eddy Bellegueule in zijn debuutroman Weg met Eddy Bellegueule, die zijn hele jeugd door wordt bespuugd en geslagen, omdat hij ‘anders’ is. De jongen die in een arbeidersgezin in Picardië opgroeit, in een verstikkend milieu waar alcoholisme, werkeloosheid en misdaad de toon zetten. De schrijver Edouard loopt nog steeds met opgetrokken schouders en zijn oren en voeten lijken te groot. De Nederlandse vertaling van zijn geruchtmakende boek verscheen bij De Bezige Bij.

Eddy doet mij denken aan ‘A boy named Sue’, dat liedje van Johnny Cash. En dan ook nog Bellegueule, mooie smoel. Jouw ellendige jeugd zat al in je naam.

Exact, het was een erg lastige naam. Ik weet niet of het in Nederland ook zo is, in Frankrijk geven arme families hun kinderen Amerikaanse namen. Brian, Jefferson, Andy… Ik was gebrandmerkt door die naam: mooie smoel. Alleen door mijn naam te veranderen kon ik erachter komen wie ik werkelijk was. Eddy Bellegueule is eerder een naam voor een stoere gast. Zo had mijn vader het bedacht. Ik was Eddy en moest een sterspeler op het voetbalveld worden, een gast waar iedere vrouw voor viel. Die naam is een verhaal op zich. Maar dankzij die naam wist ik aan mijn milieu te ontkomen. Later, toen ik mijn naam wilde veranderen, zeiden mensen dat Eddy Bellegueule zo bijzonder was. ‘Houd die naam, verander ‘m niet!’ Steevast antwoord ik dan: ‘Als je die naam zo geweldig vindt, mag je hem hebben.’

edouard louis weg metIn jouw boek laat je zien dat er mensen zijn die zich niet schamen voor hun gedrag, maar de lezer doet dat wel. Een soort plaatsvervangende schaamte.

Dat is precies wat ik wilde. Het ging mij er niet om de karakters in mijn boek te veroordelen. Het boek is trouwens compleet autobiografisch. Er zit geen woord fictie in. Dit is het dorp waar ik opgroeide, dit is mijn familie. Het is het verhaal over een bepaald sociaal milieu. Ik had de ambitie om het geweld te tonen, in de taal, in het dagelijks leven, de ‘normale’ agressie die we iedere dag tegenkomen. Zelfs toen ik er nog deel van uitmaakte, herkende ik die agressie niet als zodanig. Een van de grootste problemen van geweld is, en dat is de val waarin je snel stapt, dat die niet direct herkenbaar is. Mensen praten ‘gewoon’ met elkaar, zijn daarin gewelddadig, maar zien dat zelf niet. Neem de moeder van Eddy Bellegueule in mijn boek. Ze wordt als vrouw onderdrukt, als iemand die uit een zwak milieu komt… Maar ze ziet dat niet als onderdrukking. Ze merkt niet dat ze wordt uitgesloten en dat dit door haar slechte scholing komt.

Een andere valkuil van geweld is dat het soms ‘grappig’ is. Zolang je natuurlijk niet zelf het slachtoffer bent. In mijn boek lachen ze zich rot om vrouwen, om vreemdelingen, om homo’s… Geweld neemt vaak de vorm van lachen aan.

Op een gegeven moment wordt duidelijk dat Eddy gay is. Alsof hij daarom wordt vernederd. Maar ik neem niet aan dat dit je bedoeling was.

Ik wilde laten zien dat het systeem ons maakt tot wat we zijn. Gekleurde mensen komen er pas achter dat ze zwart zijn zodra ze hun land verlaten en naar het Westen gaan. En de verschillen tussen mensen zijn zo arbitrair, ook al zijn ze oneindig in getal… Waarom bedenkt een gemeenschap verschillen? Waarom is er geen categorie voor mensen met schoenmaat 45? Ik geef bewust zo’n absurd voorbeeld, omdat ik mij afvraag waarom er wel een categorie homoseksuele mannen bestaat. Eddy is echter niet het enige slachtoffer, iedereen in de roman wordt door geweld, door onderdrukking gevormd. Mensen praten daar niet graag over. Ze praten liever over bepaalde slachtoffers. Maar ze zitten in hetzelfde schuitje, ze komen uit hetzelfde milieu. Ze worden onderdrukt vanaf het moment dat ze naar school gaan en vervolgens als ze gaan werken in de fabriek waar hun vader en grootvader ook al werkten. Ze worden langdurig onderdrukt en daaruit ontstaat geweld. Wat niet wil zeggen dat ik beweer dat het met de bourgeoisie beter is gesteld. Ook daar vind je geweld. Het geweld is overal.

Jouw roman speelt zich af in Noord-Frankrijk, in Picardië, en je gebruikt het dialect van die streek. Is dat iets heel anders dan het gangbare Frans?

Volstrekt anders, hoewel tegenwoordig het Standaardfrans er meer ingang vindt. Ik zocht naar een vorm, een stijl die mij de kans gaf zo dicht mogelijk bij het dagelijks leven daar te komen. Het idee achter mijn boek was door geweld literatuur te creëren. Ik probeerde een passende taal te munten. Natuurlijk maakt het verschil of iemand je gay noemt of nicht, bruinwerker of holmaat. Je kunt zeggen dat er altijd twee talen naast elkaar bestaan: die waarin je normaal gesproken schrijft en die van de straat. Door ze naast elkaar te gebruiken ontstaat er wrijving. Zo schrijf ik bijvoorbeeld: ‘Mijn vader is hem nooit vergeten, zei hij in mijn aanwezigheid.’ En dan vervolg ik, in cursief, met: ‘Die vuile klootzak die ons in de steek heeft gelaten, die mijn moeder zonder een cent heeft laten zitten, ik pis op hem.’ Dat laatste lees je zelden in de huidige Franse literatuur. In het begin heb ik geluidsopnamen gemaakt van mijn moeder. Ik ging bij haar langs, nam alles op en wilde dat uitschrijven. Het werd een mix van geluidsweergaven… die zelfs niet iedere Fransman zou begrijpen. Zelfs de taal van mijn vader en moeder verschillen van elkaar. De taal van een man en die van een vrouw. Ik schreef alles uit en liet het resultaat aan een vriend in Parijs lezen. Die begreep er letterlijk geen woord van. Het zat in de taal, in de uitdrukkingen. Mijn moeder spreekt namelijk als iemand die erg vroeg van school is gestuurd; met zestien was ze al zwanger… Ik kan haar verstaan, omdat ik zo lang met haar heb samengewoond. Ze begint een zin, stopt halverwege, begint de volgende…

Hoe wist jij uit dat milieu te ontsnappen? En waarom blijven de mensen, die jou zo ‘anders’ vonden, levenslang in die ‘gevangenis’ van dat milieu zitten? Ontbreekt het hun aan de moed?

Ik denk niet dat ik mij er van losmaakte, omdat ik anders was. Natuurlijk verschilde Eddy Bellegueule enorm van zijn familie. Hij liep anders, zijn tongval verschilde… Mij werd verteld dat ik anders was, dus moest ik dat wel zijn. Eddy zelf probeert niet anders te zijn. Toch wordt hij buitengesloten. En natuurlijk zorgde zijn homoseksualiteit voor die situatie. Wanneer je gay bent en uit een arm milieu komt, is er slechts één mogelijkheid om daaraan te ontsnappen: scholing. Zelfs als dat moeilijk is. Ook James Baldwin was gay en kwam uit een achterbuurt. Ook hij kwam eruit door te gaan studeren.

Hoe reageerde men in Frankrijk op het boek?

Nogal uiteenlopend. Neem mijn vader en moeder. Mijn moeder was erg kwaad. Ze zei: ‘Het zijn allemaal leugens.’ En daarmee bedoelde ze zowel de verhalen als de taal waarin ik schreef. Nu schijnt dat normaal te zijn in de literatuur. Mensen die erin voorkomen, herkennen zichzelf liever niet. Maar de kracht van literatuur is juist een nieuwe kijk op de werkelijkheid te geven, laten zien waarvoor mensen de ogen sluiten. Iedere schrijver die over anderen schrijft, wordt door hen aangevallen. Je ziet het bij Proust, bij Thomas Bernhard… Vreemd genoeg was de reactie van mijn vader geheel anders. Die kocht dertig exemplaren van mijn boek, zei dat hij zo trots op mij was en noemde mij Eduard en niet Eddy. Dat was voor het eerst in mijn leven.

Geweld en schaamte gaan hand in hand. Het slachtoffer schaamt zich, omdat hem geweld wordt aangedaan. Hoe kreeg jouw schaamtegevoel een plek in jouw boek?

Dat was een van mijn grootste problemen. Als slachtoffer van mishandeling is het erg moeilijk om te vertellen dat je geslagen bent. En dat duurde mijn hele jeugd. Eddy wordt geslagen, in zijn gezicht gespuugd, misbruikt. Hij durft niet naar een volwassene toe te stappen om het te vertellen. Hij is bang en beschaamd. Maar ook de moeder in mijn boek uit zich niet. Ze zegt nooit dat ze neerbuigend wordt behandeld. Omdat ze zich schaamt. Zoals veel mensen is ze haar vertrouwen in de politiek kwijtgeraakt. Als je aan haar zou vragen of ze op een linkse partij stemt, zou ze zeggen: ‘Ik ken de linkse politiek, de rechtse politiek, het is allemaal één pot nat.’ Dus kiest ze voor extreem rechts. Ik probeer dat te begrijpen door er over te schrijven.

Dat zal niet makkelijk zijn geweest.

Het was lastig, erg lastig. Maar het moeilijkste was het publiceren. Ik was bang voor de reacties. Ik was bang voor de titel. Ik haat mijn originele naam. Ik heb van alles gedaan om die naam te veranderen. En toen stond die naam, waar ik mij zo voor schaamde, op de voorkant van mijn boek. Ik belde mijn uitgever. Die naam moet veranderen! En dat bleek erg lastig, want Les Editions de Seuil wilde de titel niet wijzigen. Na de publicatie beweerde een Franse journalist dat het niet waar was wat ik had geschreven. Terwijl het mij zoveel moeite had gekost om het op te schrijven. Als iemand dan beweert dat het niet waar is… dat is een nachtmerrie. Gelukkig reageerden er ook veel mensen positief. Sommigen zeiden dat het hún verhaal was.

Alleen in Frankrijk al werden meer dan tweehonderdduizend exemplaren van je boek verkocht. En inmiddels is je roman in meer dan twintig talen vertaald. Hoe verklaar je dat succes? Ze kunnen niet allemaal gay zijn of uit Picardië komen.

Ik denk dat het met het geweld te maken heeft. Mensen willen er kennis van nemen, ze zijn moe van een bepaald soort literatuur waarin voornamelijk met woorden wordt gespeeld; een bezigheid van de bourgeoisie voor de bourgeoisie. Ze willen iets lezen dat hen aanspreekt, ze willen weten hoe je aan het geweld kunt ontsnappen.

Is jouw boek, en het succes ervan, een overwinning op hen die jouw jeugd zo moeilijk maakten?

Het boek is geen vorm van wraak of overwinning op de mensen die mij toen gepest hebben of op mijn familie. Het is mijn overwinning op de wereld zoals hij is, op de gemeenschap en de ideeën die ik verafschuw. Een journalist zei tegen mij: ‘Wat mij aan jouw boek aanstaat, is dat je niet veroordeelt maar ook niet vergeeft. Ik antwoordde hem: ‘Het is juist het tegenovergestelde. Het was mijn manier om te vergeven. Mensen zijn niet verantwoordelijk voor hoe ze zijn geworden.’ We moeten eens ophouden het individu al te zeer op zijn daden aan te spreken. De maatschappij maakt ons. Al eeuwen stoppen we mensen in gevangenissen als ze gedood of verkracht hebben. Er is niets door veranderd. We moeten de bestaande structuren aanpassen, alleen dan zal de maatschappij veranderen. Ik wil werken aan een gemeenschap waarin haat niet langer de belangrijkste drijfveer is. Mijn schrijven is daarom een vorm van verzet.

Peter de Rijk

Edouard Louis – Weg met Eddy Bellegueule, vertaald door Edu Borger. De Bezige Bij, 224 blz. € 18,95.

Dit interview verscheen eerder op de site van Scriptplus.

3

Reacties