Terug naar Bovenmeer

Lize Spit’s schitterende roman Het smelt kreeg ik via een blind date in huis. Wat een verrassing! Afgelopen najaar had ik in goed vertrouwen een paar tientjes naar het nieuwe uitgevershuis Das Mag overgemaakt. Daarna had ik schrijfster op de druk bezochte oprichtingsavond van de uitgeverij parmantig over het podium van Paradiso zien paraderen. Maar niets had mij toen de indruk gegeven hier met een nieuwe schrijfster van formaat te maken te hebben.

lize-spit-het-smeltToen ik het boek begin februari dan eindelijk toegestuurd kreeg, in een flinke kartonnen doos, samen met een ander boek van Das Mag en inclusief een duur, goud gemarmerd omslag dat ik er zelf omheen moest vouwen, zodat ik in staat was de bloedstollende geschiedenis die Spit vertelt uit te lezen zonder steeds maar op het voorplat te hoeven zien waar het op uitloopt, beviel dat onverwacht goed.

De opbouw van het boek doet op het eerste gezicht sterk denken aan Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers. Ook in dat boek rijdt een volwassene met de auto terug naar zijn geboortegrond, en wisselt hij het verslag van zijn bezoek af met pijnlijke en minder pijnlijke scènes die hij zich haarscherp uit zijn jeugd herinnert. Bij Lize Spit gaat een vrouw van 27 tegen oudjaar 2015 terug naar haar geboortedorp Bovenmeer in de Kempen en herinnert zich in korte fragmenten een aantal beslissende gebeurtenissen uit de zomer van 2002, toen ze een jaar of 13 was. Ook de stijl van Spit heeft wel wat van die van Jan Wolkers. Ze schrijft onmiskenbaar Vlaams, met veel vreemde formuleringen en woorden als ‘plooien’ en ‘schellen’ waar ze meer naar het noorden ‘vouwen’ en ‘plakjes’ zouden zeggen, maar na een paar hoofdstukken merk je daar niets meer van, en dan zie je dat ze eenzelfde, vitale directheid heeft als Wolkers, met een mooi gevoel voor ritme en afwisseling. In Het smelt presenteert Spit aan de lopende band sterke, dorpse beelden in fraaie, vaak vrij korte zinnen.

Maar waar in Jan Wolkers’ roman uiteindelijk de mildheid overheerst, de verteller is ook al rond de veertig, blijkt de vertelster bij Lize Spit steeds duidelijker gedreven door wrok. ‘Weerzin’ noemt ze het vrijwel meteen in het eerste, korte hoofdstuk. Al gauw merk je dat zij het, ook nu ze jaren ouder is dan in haar jeugd, nog steeds niet getroffen heeft met zichzelf. Ze is uit haar geboortedorp naar de hoofdstad verhuisd om architectuur te studeren en heeft daar een aardig appartement kunnen betrekken, maar voor de liefde moet ze zich behelpen met een verveelde, twaalf jaar oudere buurman die zich soms alleen even oraal door haar laat bevredigen. Dat vindt ze ‘niet per se een pluspunt’, laat ze ons discreet weten, maar het stoort haar niet, zolang hij zich ‘op voorhand’ maar even wast en ze haar kleren erbij mag aanhouden. Ook op haar 13de had ze al last van die somberheid, herinnert ze zich, en die is daarna nooit meer weggegaan. Er ontbreekt haar iets, alsof ze ooit ‘vollediger’ is geweest en ‘iets in [haar] zich nog herinnert hoe dat voelde’.

En toen moest het ergste nog komen. Hoewel ze al een paar jaar in Brussel woont, en ze veel van wat er achter haar ligt wil vergeten, blijft haar jeugd op het platteland haar bovenmatig bezig houden. Die jeugd beslaat dan ook het leeuwendeel van het boek. Aanvankelijk lijkt die vrij idyllisch te zijn geweest, zo tussen de koeien, in een dorp waar iedereen iedereen kent en waar er van alles slechts één is. Eén slager, één bakker, één kruidenier – alleen van de cafés zijn er jammer genoeg twee. Maar de keerzijde van de idylle is dat er op een gegeven moment niet genoeg vijfjarige kinderen zijn om een aparte kleuterklas mee te vullen. Voor de hoofdfiguur wordt dan een speciaal ‘bijzetklasje’ gecreëerd, waarin ze samen met twee jongetjes van vijf achter in een hogere klas wordt geplaatst, om daar zo goed en zo kwaad als dat gaat een uitgekleed lesprogramma te volgen. Met zijn drieën vormen ze in het dorp vanaf dat moment ‘de drie musketiers’. En dat blijven ze tot ze dertien zijn, in de zomer van 2002, wanneer een en ander uit de hand begint te lopen. Geen wonder, meisjes beginnen op die leeftijd de kenmerken van een meisje te krijgen, en Spits hoofpersoon weet dan niet zo goed meer hoe ze met de puberale fantasieën van de twee jongens moet omgaan. Zeker niet als ze haar aanvankelijk nog als de derde jongen van het gezelschap benaderen en haar als gelijkwaardige in hun eerst nog onschuldige seksspelletjes betrekken.

Het knappe van Het smelt is dat je heel lang bijna niet ziet wat er fout begint te gaan met de drie musketiers, zodat het des te meer schrikken is wanneer het tot je doordringt wat er aan de hand is. Op veel punten gaat Spit gedetailleerd op scènes en gebeurtenissen in, maar veel andere details verzwijgt ze bewust. Zo duurt het meer dan driehonderd bladzijden voor je doorhebt hoe ziek de drie partijen zijn.

Als alle boeken van Das Mag hetzelfde niveau hebben als Het smelt, teken ik binnenkort voor nog een paar delen bij. Want dit was een blind date die naar meer smaakt. Lezers die geen crowdfunder van Das Mag zijn, raad ik ondertussen aan meteen na aankoop zelf een mooi versierd omslag te maken. Wat een verademing, een boek te lezen waarvan noch de voorkant noch de flaptekst je ook maar enig moment van het lezen afhoudt.

Reinjan Mulder

Lize Spit – Het smelt. Das Mag Uitgevers, Amsterdam. 480 blz. € 22,95.

1

Reacties