Als we apen met mensen kruisen

‘Het leven wordt niet vrolijker met Hanna Bervoets als voordenker, wel interessanter.’ In het juryverslag bij de uitreiking van de Frans Kellendonkprijs legde juryvoorzitter Barber van de Pol gisteren in Nijmegen de vinger op de zere plek. Ook Hanna Bervoets’ laatste boek Ivanov is inderdaad eerder verontrustend dan leuk. In deze roman, die in mei kans maakt de Libris Literatuurprijs te winnen, gaat een homoseksuele Nederlandse student in 1994 in New York op zoek naar een onderwerp voor een werkstuk. Hij denkt dit gevonden te hebben in een mysterieuze vrouwelijke hoogleraar die onderzoek lijkt te doen naar het kruisen van apen en mensen.

Uiteraard wekt zulk onderzoek naar de grens tussen mens en dier in een puriteins land als Amerika veel weerstand op, en haar onderzoek is dan ook omgeven met verwikkelingen. Het verhaal dat Bervoets over die verwikkelingen vertelt, wordt bovendien nog doorschoten met fragmenten over een vergelijkbaar, historisch onderzoek, dat al driekwart eeuw eerder plaatsvond. In 1922 deed de Russische onderzoeker Ilya Ivanov een soortgelijk onderzoek als Bervoets romanfiguur. Maar wel met een paar verschillen: Ilya Ivanov’s onderzoek paste in het nieuwe, mechanische Sovjetbeeld en vond plaats in het verre Afrika, midden tussen de apen, terwijl het onderzoek van de Amerikaanse professor Frank in hartje Amerika plaatsvindt, tegen de achtergrond van het eerste aidsonderzoek en met behulp van kunstmatige inseminatie.

Deze setting van de twee onderzoeken naar de verschillen tussen mens en dier plus het huidige onderzoek naar die onderzoeken, zorgen ervoor dat Hanna Bervoets heel wat actuele onderwerpen in haar roman kan laten passeren: de positie van vrouwelijke onderzoekers aan de universiteit, het leven en liefhebben van de hedendaagse homoseksueel en de vraag naar verantwoorde experimenten met mensen en dieren.

Daarbij werkt Bervoets met een behoorlijk ingewikkelde plot. Niet alleen duurt het al even voor je doorhebt welk onderzoek de Amerikaanse hoogleraar uitvoert, ook het perspectief waaruit dit wordt verteld is lang onduidelijk. Wat begint als een verslag van een naïeve student in het grote Amerika loopt al snel uit op een toenemend aantal vragen en onzekerheden. De student is slim genoeg om te weten dat het vertellen van gebeurtenissen nooit eenduidig kan zijn. Hij kan voor zijn verslag wel een reeks anekdotes vertellen die mensen aan het lachen maken, dan wel hun jaloezie opwekken. Maar hij wil liever een kritische noot bij het vertelde plaatsen. En hij wil ook ingaan op de context van de verwikkelingen en op de persoon die hij in Amerika was. Dat verhaal met alle twijfels vandien probeert hij twintig jaar later al schrijvende uit te werken. Dat gaat dan bijvoorbeeld zo:

Ouder worden is transformeren, en dan heb ik het niet over veranderen, nee, ik bedoel iemand anders worden: niet per se iemand met meer kennis, eerder iemand met andere kennis, andere karaktertrekken – een groter empathisch vermogen misschien. Maar met dat vermogen groeit ook de overschatting van de omvang ervan, zozeer dat we denken dat we in staat zijn het op onze jongere zelf toe te passen: dit en dat zal hij gedacht hebben, ja ja, ik snap hem. En dat, precies dat verklaart ons falen wanneer het op het begrijpen van ons jongere ik aankomt: we denken dat we het over onszelf hebben, maar we moeten ons in een ander verplaatsen; wanneer dat niet lukt is dat geen kwestie van geheugenverlies maar van gebrek aan inlevingsvermogen.

Gelukkig is Bervoets schrijfster genoeg om de twijfels van de student nooit al te veel en al te lang uit te vergroten. Zo beschrijft ze direct na zijn verhandeling over het inleven in zijn vroegere ik hoe hij vroeger het liefste liggend masturbeerde, omdat dit de handeling een zekere vanzelfsprekendheid gaf: ‘zoals sommige mensen chips eerst in een saladebak schudden voor ze de hele zak leeg eten.’ Zo raakt de verteller vaker heerlijk op drift in zijn bespiegelende beschrijvingen, waardoor we geregeld op een prachtig soort tegen het absurde aanleunende taal worden getrakteerd. Daarin sluit Hanna Bervoets aardig aan bij het werk van de in 1990 overleden Frans Kellendonk, de naamgever van haar prijs. Ook Kellendonk ging eigentijdse morele en filosofische vraagstukken niet uit de weg, zonder daarbij in lange, belerende beschouwingen te vervallen.

Over het werk van Frans Kellendonk zei Hanna Bervoets tijdens de prijsuitreiking dat ze op de middelbare school met plezier Mystiek Lichaam had gelezen, maar dat dat plezier misschien wel voortkwam uit de opluchting dat het niet zo saai was als Ivoren wachters van Simon Vestdijk dat ze kort daarvoor had gelezen.

Pas veel later zou ze erachter komen dat ze waarschijnlijk ook iets herkend moest hebben in zijn werk, zonder dat meteen als prettig te ervaren. Bervoets ergerde zich er misschien wel aan, uit jaloezie omdat Kellendonk bepaalde eigenschappen beter beheerste, onder controle had dan zij. Ook voelde ze soms schaamte bij zijn werk, zei ze, omdat ze zelf die eigenschappen toen nog als zwaktes zag. Ook Kellendonk schreef over identiteit: ‘over de worsteling wie we zijn’. Hij schreef over homoseksualiteit, afkomst en de ander, en Bervoets moest dat hebben herkend, niet in de laatste plaats omdat deze zaken in haar eigen persoonlijk leven een rol speelden:

Kellendonk liet zien hoe onuitgesproken wetten konden kwellen, in mijn eigen werk zoek ik uit wat er gebeurt wanneer we maatschappelijke normen juist oprekken – wat als verliefdheid een psychische aandoening is, wat als we mensen met dieren zouden kruisen, wat als de wereld zoals we die kennen, er morgenochtend niet meer was.

Ook Kellendonks worsteling met identiteit herkende Hanna Bervoets, zij het pas achteraf: ‘Identiteit is geen kern, geen grote gloeiende bol in onze borstkas maar een construct, een bouwwerk dat bestaat uit puzzelstukjes die ons door anderen worden aangereikt: afkomst, geslacht, geaardheid…’

Hanna Bervoets kreeg de Frans Kellendonkprijs gisteren voor haar hele oeuvre: 1250 bladzijden. De prijs is een driejaarlijkse oeuvreprijs voor schrijvers onder de veertig die getuigen van een onafhankelijkheid en originaliteit.

In haar dankwoord legde Bervoets uit dat die twee eigenschappen altijd op gespannen voet staan met onze behoefte ergens bij te horen. Wat de mens van het dier onderscheidt, vond ze, is zijn vermogen een eigen ik te zijn, terwijl hij wel blijft hunkeren naar saamhorigheid, naar gemeenschap, geestverwanten – naar voorbeelden. In Frans Kellendonk had ze gelukkig zo’n voorbeeld gevonden.

Reinjan Mulder

Hanna Bervoets – Ivanov. AtlasContact, Amsterdam. 313 blz. € 19,99.

1

Reacties