Toen ik Ares Koopman na ruim twintig jaar terugzag, was hij al koortsachtig aan het weggaan, vertrekken, verdwijnen.

Hij was al eerder verdwenen, natuurlijk, want nadat we rond 1990 hadden samengewerkt aan de televisiedocumentaire Portret van een Dordtse Chinees, over C. Buddingh’ op wiens poëzie hij was afgestudeerd en wiens gedoodverfd biograaf hij jarenlang was, hadden we elkaar uit het oog verloren, ieder van ons druk met zijn eigen sores.

Ares en ik kwamen weer in contact via Facebook. Daar vind ik terug dat we bevriend zijn sinds 12 september 2012. Hij plaatste die dag een bericht op mijn tijdlijn: ‘i remember the yorkshire dales — was het 1988? groet, ares’. Een stem uit het verleden dus — zoals het op Facebook een kakofonie is van stemmen uit het verleden.

Met zijn bericht verwees Ares naar de reis die we door Engeland hadden gemaakt ten behoeve van genoemde televisiedocumentaire. In daaropvolgende chats ging het van zijn kant over emigreren, trouwen en een boek dat Alles vergeten zou heten. In Amsterdam was diezelfde week zelfs een afscheidsfeest. Ik moest verstek laten gaan; ik weet dus niet of het überhaupt is doorgegaan, dat feest, zoals uiteindelijk dat trouwen en dat boek ook niet doorgingen.

We spraken af om elkaar op 25 september te ontmoeten op Amsterdam Centraal, maar er bleek een trein uitgevallen dus ik belde het nummer dat ik van Ares had gekregen om te zeggen dat ik later kwam. Ik kreeg de voicemail en sprak mijn boodschap in. Hoe ik na aankomst op het station ook rondkeek: geen Ares.

Natuurlijk — hij was, net als ik, twintig jaar ouder geworden, maar het leek me onwaarschijnlijk dat we elkaar zouden voorbijlopen zonder elkaar te herkennen.

Ares was er niet, had zich, mijn bericht gehoord hebbend, misschien wat langzamer naar het station gehaast. Had hij mijn bericht wel gehoord? Na enige tijd belde ik opnieuw. Iemand nam op. ‘Jakob is er niet.’

Jakob?

Ik stuurde een bericht via Facebook:

‘Ares, er is iets vreemds. Mijn trein viel uit, ik belde jouw nummer om te zeggen dat ik een halfuur was verlaat. Kreeg toen ik nog eens belde een onmiskenbare Amsterdammer aan de telefoon. Jakob is er niet, zei hij. En: ik heb hem niet geslagen. Maar hij had wel jouw telefoon meegenomen, zei-ie. Dus nu kan ik je niet bereiken.’

’s Avonds — ik was allang weer thuis — kwam het antwoord van Ares:

‘ik lag op afgesproken tijdstip letterlijk voor pampus. werd gisteravond op boot slachtoffer van geweldsmisdrijf: drie beuken op hoofd van italiaanse engerd, neus gebroken, hersenschudding en al mijn geld onder dwang van mijn rekening af moeten geven. vandaag aangifte, morgen ggd en uwv om voorschot te vragen voor komende drie weken.’

Na dat curieuze gesprek, hoewel niet eens met Ares Koopman zelf, nu dus een curieus bericht, tekenend — maar nu spreek ik achteraf — voor de Ares Koopman die Ares Koopman in die twintig jaar kennelijk was geworden: niet meer de keurige middelbareschooldocent, niet meer de gerespecteerde literatuurcriticus van de Arnhemse Courant, niet meer de Kees Buddingh’-kenner zoals we hem kenden, maar een verdwijnkunstenaar, een magneet die narigheid aantrok, een mysticus die meerdere namen voerde. Want dat Jakob bleek een pseudoniem: Jakob Israel, zo ‘noem ik me als de dichter die ik, naar men zegt, gebleken ben te zijn.’ Hij noemde zich ook Anna Rosenthal, David Cohen, Jakob Davidson, Jakob Isacson en hij hield er daarnaast nóg een Facebook-account op na op naam van Adriaan van Velsen.

Dit alles zou mij in de weken en maanden die volgden blijken. We spraken opnieuw af, nu kwam hij naar Rotterdam — en verdomd: hij kwám naar Rotterdam. Ares Koopman, ja. Hij had nog die fluwelige stem waarmee hij goed gearticuleerd in welluidende, ironisch getoonzette zinnen sprak, doorspekt met zowel buddingh’iaanse (‘en ja hoor’) als reviaanse elementen (‘dat eet niet zo lekker voor een man’). Zijn ooit welvarende voorkomen had plaatsgemaakt voor een ingevallen kop; bovenop was hij kaal, aan de slapen en in de nek was het haar dun en wit. Hij was gejaagd, alsof hij op de hielen werd gezeten.

In het café waar wij lunchten toonde hij een vaal manuscript; het zag eruit alsof hij het uit een vuilniszak vol vochtig afval had geraapt. Het was het werkplan voor de reeks Alles vergeten — notities 1952-2012, compleet met het schema volgens welk de afzonderlijke boeken zouden moeten verschijnen: Een vreemde in Jeruzalem (10 maart 2013) tot en met The Ultimate woman (datum en deel van de titel onleesbaar; deze titel dook later op in Facebook-chats).

Ares vertelde wat hem sinds de opnamen voor de Buddingh’-film zoal was overkomen. Vechtscheiding, nieuw huwelijk, tweede scheiding. Hij ging nu met Anita, een Ghanese vrouw die met haar zuster of zusters in de Bijlmer woonde en met wie hij in december ging trouwen om daarna met haar naar Accra te vertrekken. Hij vertelde dat hij was afgekeurd voor zijn werk en leefde van een uitkering; in Ghana kon hij daarvan leven als een vorst en bovendien had Anita als prostituée een kapitaaltje bij elkaar gewerkt.

Enigszins beduusd zette ik hem op de trein. We hielden contact via zijn beide Facebook-accounts, hij sms’te wel eens maar steeds vanaf een ander telefoonnummer.

Anderhalve maand later was hij opnieuw in Rotterdam. Hij zag er die dag beter uit dan de vorige keer, gesoigneerd, netjes geknipt en hij droeg een elegante hoed.

Ook na dit bliksembezoek bleven we chatten. Op zijn tijdlijn publiceerde hij hele flarden van romans, novellen en dichtbundels in wording. Er waren ook berichten over mensen voor wie hij bang was, die hem bedreigden, mishandelden, beroofden; hij moest geregeld onderduiken, hij sliep in nachttreinen, soms op een slaapzaal.

In het begin van het volgende jaar zocht ik hem volgens afspraak op in de Valeriuskliniek in Amsterdam waar hij op de ouderenafdeling was opgenomen — maar hij was er niet, hij was die dag verdwenen. Ik heb nog een tijdje op hem zitten wachten.

Latere berichten kwamen uit Haarlem, Houten, Londen, Brussel, Amsterdam en Argentinië. Op Facebook bleef hij met boektitels en trouwplannen strooien totdat ik op 30 september 2015 een laatste bericht kreeg:

‘ik red mezelf weer – min of meer. ik zit nog steeds in buenos, maar ik kom eraan, waarschijnlijk vergezeld door nieuwe personal assistent Luis’.

Daarna: stilte.

Vorige week kreeg ik de bevestiging dat Ares Koopman in november 2015 in Argentinië is overleden onder vooralsnog onopgehelderde omstandigheden. Voorgoed verdwenen. Ik hoop dat hij rust gevonden heeft.

Beeld boven: Ares Koopman, Rotterdam, 21 november 2012; in de tekst: opzet van de boekenreeks Alles vergeten. Foto’s © Frank van Dijl.

2

Reacties