Een jubeljaar in de knop gebroken

Willem Frederik Hermans had, om meerdere redenen, niet veel op met E. du Perron en Menno ter Braak. Zijn leven lang heeft hij hen te vuur en te zwaard bestreden. Ik beperk me hier tot hun voorliefde voor de autobiografie die door Hermans niet werd gedeeld. Zij meenden dat dagboeken en brieven de persoon van de schrijver of dichter in een helderder licht zetten dan zijn romans, verhalen of gedichten. In het eerste nummer van Forum verdedigen zij ‘[…] de opvatting, dat de persoonlijkheid het eerste en laatste criterium is bij de beoordeeling van den kunstenaar. Welke wonderen zich ook bij het scheppingsproces mogen afspelen: zij schijnen ons dan eerst van belang, wanneer de persoonlijkheid van den kunstenaar zich voor ons in zijn werk bevestigt.’

Voor Hermans lag het banaler, zoals hij op 11 mei 1979 in NRC Handelsblad opmerkte:

Het verlangen naar dagboeken en brieven dat schrijvers als Du Perron en Ter Braak bezielde, kan niet beter verklaard worden dan uit hun hoop op die manier andere schrijvers de kunst af te kijken, of een antwoord te vinden op de vraag: Hoe ziet een grote schrijver er vanbinnen uit? En: Als ik weet hoe een grote schrijver er vanbinnen uitziet, kom ik er misschien achter hoe ook ik een grote schrijver kan worden.

Nee, geen grote schrijvers dus, Du Perron en Ter Braak, als je het Willem Frederik Hermans vroeg.

In het artikel waaruit het citaat hierboven afkomstig is, beantwoordt Hermans twaalf vragen die ik aan eenentwintig schrijvers had gesteld ten behoeve van een bijdrage aan Literair Paspoort. Het onderwerp was, met een verwijzing naar het belang dat Ter Braak en Du Perron eraan hechtten, het dagboek in de (hedendaagse) Nederlandse literatuur. Negen schrijvers namen de moeite om op mijn vragen in te gaan, Hermans met een verhaal van ruim drieduizend woorden in het Cultureel Supplement.

Ik sluit niet uit dat Hermans’ aanvallen van een jaar eerder op het dagboek van J.J. Peereboom en dat van C. Buddingh’ voor de redactie van Literair Paspoort de aanleiding vormden tot deze enquête. Als Age Bijkaart had Hermans zich eerst vrolijk gemaakt over de 160 bladzijden Privé-Domein die het resultaat waren van de bijna twintig jaar dat Peereboom een dagboek had bijgehouden. Ook stak hij de draak met ‘het taaltje waarin de heer P. z’n onbenullige opmerkingen aan het papier toevertrouwt.’

Peereboom zal onaangename getroffen zijn geweest door de kritiek van Hermans, maar al spoedig zou blijken dat die zich alleen maar een beetje aan het warmlopen was geweest. Twee maanden later publiceerde hij in NRC, onder eigen naam, het stuk ‘Opmars der dagboekaniers’, dat voor de helft een beschouwing was en voor de andere helft een pastiche op het literaire dagboek.

Hermans samenvattend: Ter Braak en Du Perron vonden dat romanschrijvers zich verstoppen achter een masker –’ foei, wat slecht’. Voor het eerst viel hier ook de naam Buddingh’: ‘Heeft ooit een lezeres de slaap niet kunnen vatten na vernomen te hebben uit het dagboek van Cees Buddingh’ dat deze een vuilniszak aan de stoeprand had gezet?’

C. (Cornelis – roepnaam Kees) Buddingh’ (1918-1985) had eerder dat jaar het vierde deel van zijn dagboeknotities gepubliceerd. Al in een aantekening die hij maakte op tweede kerstdag 1967 en die werd gepubliceerd in Wat je zegt ben je zelf, gaf hij blijk ‘van mijn grenzeloze geestdrift en bewondering’ voor Ter Braak en Du Perron, die ‘zo onbereikbaar ver weg ergens op een enorme hoogte’ stonden.

Op de dag dat Hermans in NRC de opmars der dagboekaniers aan de kaak stelde, noteerde Buddingh’ in zijn dagboek: ‘Opnieuw fraai zomerweer.’ Hij was met vakantie in Engeland, op doorreis naar Wales. Het is ‘de vraag of iemand in zijn familie of vriendenkring hem naderhand nog op de krant heeft gewezen. Het lijkt erop van niet.’ Buddingh’ zou, suggereert Wim Huijser aldus in zijn biografie Dichter bij Dordt (2015), onkundig zijn gebleven van het gebrom uit Parijs. In zijn dagboek laat Buddingh’ het artikel van Hermans onbesproken. 

Op maandag 25 september, al weer ruim drie weken thuis, tekent hij op: ‘Sommige van mijn beste vrienden zijn mensen.’ Het is meteen de laatste notitie van het jaar 1978, het jaar dat een jubeljaar had moeten worden met Buddingh’s zestigste verjaardag op 7 augustus, de verschijning van De eerste zestig, het begin van een sonnettenreeks onder de titel Een mens in de tijd, de voorbereiding van de bundeling van de eerste twee dagboekdelen in één band met persoonsregister en het vierde dagboekdeel dat dus al was verschenen. Buddingh’ werd benoemd tot ereburger van Dordrecht en in de rubriek Hollands Dagboek van NRC Handelsblad noteerde de jarige enthousiast: ‘De eenentwintigste eeuw: die wil ik nog zien.’

Die krant had een maand eerder Een mooie tijd om later te worden laten bespreken door… J.J. Peereboom, dezelfde die vanwege zijn eigen dagboek zo onbarmhartig onderhanden was genomen door Age Bijkaart. ‘Buddingh’ is zo’n gezellige vriendelijke man dat misschien alleen een zuurpruim het niet uit zou kunnen houden in zijn gezelschap,’ schreef Peereboom.

Dan wordt het 29 september.

Het zal rond half vijf in de middag zijn geweest dat in de Dordtse Bankastraat op nummer 60-62 de vrijdageditie van NRC Handelsblad op de vloer plofte.

Viste Buddingh’ zelf de krant van de mat? Niets op de voorpagina (die opende met: ’Paus sterft plotseling na hartaanval’) had hem kunnen voorbereiden op de klap die hem te wachten stond, maar misschien had hij op vrijdag de gewoonte om eerst het Cultureel Supplement uit de krant te halen. De aankeiler op de voorkant daarvan beloofde niet veel goeds:

Het vierde deel van de dagboeknotities van C. Buddingh’ werd door W. F. Hermans in Parijs nauwkeurig gelezen. De schrijver van Mandarijnen op zwavelzuur heeft er op zijn manier plezier aan beleefd en leest Buddingh’ zeer gedetailleerd de les. Een mooie tijd om later te worden wemelt van de taal- en stijlfouten. Een inventarisatie.

Die ‘inventarisatie’ was inderdaad niet mals.

Hermans rekende definitief af met de ‘dagboekaniers’ die hij eerder op een voor zijn doen milde manier al de oren had gewassen. Ironie, of vooruit: sarcasme, had plaatsgemaakt voor wat toch dicht in de buurt kwam van vileine moedwil, van pure kwaadaardigheid. Hermans liet geen spaan heel van de dagboeken van Buddingh’ en daarmee eigenlijk ook niet van de man zelf. 

‘Hij is, zo op het oog, een lieve man: hartelijke huisvader, vriendelijk echtgenoot, gezellige drinker. Toch wekt niets zozeer zijn haat op als de vaderlandse ‘‘kneuterigheid”. Hoe bestaat het?’ vraagt Hermans zich af. 

‘Buddingh’ vertoont de tragische eigenschap van niet-creatieve dilettanten, dat ze nooit uit hun jeugdlectuur groeien, nooit een nieuwe kijk kunnen ontwikkelen op de boeken die ze bewonderd hebben in hun jonge jaren,’ schrijft Hermans in het zes kolommen tellende stuk. De zevende kolom van de pagina is gevuld met de bespreking van de nieuwe Arendsoog – grapje van de eindredactie?

Aan het einde van zijn filippica spreekt Hermans Buddingh’ persoonlijk aan: 

Geloof me, Kees: weinig of geen van die schrijvers die proza schreven dat jij echt mooi vindt, hadden een knus gezinsleven en een schier onafzienbare vriendenkring, zoals jij, ook al hebben ze dat niet allemaal aan de grote klok gehangen. Maar wat wil je nu eigenlijk liever: subsidie krijgen of een meesterwerk schrijven? En als het je alleen om het eerste is te doen, waarom beklaag je je dan dat er in Nederland zo weinig interessante boeken bestaan? Hoe durf je dan schimpend te praten over de ‘‘kluizenaar van Doorn”?

Die avond bleef het angstaanjagend stil in Dordt. 

Mij – zesentwintigjarige journalist die voor Het Vrije Volk over literatuur schreef, Dordtenaar uit macht der gewoonte – vervulde het stuk van Hermans met plaatsvervangende gêne. Ik kende Kees Buddingh’ als een aimabele man die nooit te beroerd was om een praatje met je te maken. Naar aanleiding van Een mooie tijd om later te worden had ik geschreven: ‘Het is altijd een genoegen om in Buddingh’s dagboeken te lezen; dat komt, denk ik, vooral, omdat Buddingh’ zo’n beminnelijk man is, altijd opgewekt, bescheiden, belezen en in het bezit van een gezond gevoel voor humor.’ Anderhalve maand later concludeerde ik in een bespreking van De eerste zestig: ‘In het bijna prozaïsche burgermansbestaan dat Buddingh’ in Dordrecht leidt (hij werd zelfs tot ereburger benoemd) ligt de kern van zijn dichterschap.’ 

Juist op die karaktereigenschappen had Hermans zijn pijlen gericht. Hij wees overigens ook op tal van fouten in het dagboek van zijn collega-Bezige Bij-auteur en daarin had hij volkomen gelijk. 

Toen ik Kees Buddingh’ kort na het stuk in de NRC tegenkwam bij ‘de beste boekhandel van Dordt’ (dat moet De Bengel zijn geweest), ontkende hij dat niet. Hermans had drieëndertig fouten geteld in de Franse citaten. ’Als ik de tekst uittyp, kan ik soms mijn handschrift niet meer lezen,’ zei Buddingh’, maar ook in het Nederlands had Hermans fouten gevonden.

Willem Frederik Hermans was overigens niet de eerste die zich kritisch uitliet over de dagboeken van Buddingh’. Al zeven jaar eerder schreef Lodewijk Henri Wiener in Tirade: ‘Was het alleen C. Buddingh’s pocherigheid die in zijn dagboeknotities aan bod kwam, men kon zich nog schouderophalend vervelen, maar hij dwingt ons bij zijn huiselijke aangelegenheden aanwezig te zijn; hij schroomt niet ons zijn vrouw voor te stellen (Stientje) en zijn kinderen (Wiebe, Sybe en Sacha) en hij gaat zelfs zover ons op het hart te drukken dat Victor niet met een kind van hem verwisseld moet worden, omdat Victor een kat is.’ (Overigens had Buddingh’ twee zoons: Sybe zal een grapje van Wiener zijn.)

Wiener publiceerde zijn kritiek in Tirade, het tijdschrift waarin Buddingh’ ook zijn dagboeknotities aan de openbaarheid prijsgaf voordat ze werden gebundeld. De toen zesentwintigjarige auteur ergerde zich aan dezelfde dingen die zeven jaar later de toorn van Hermans zouden wekken:

Wie denkt dat het mij iets kan schelen of er een belastingambtenaar bij hem aan de deur komt om geld, vergist zich. Het interesseert mij ook niet te vernemen dat hij zelf vindt dat hij sober leeft en ook niet dat hij zo graag eens een duur pak zou willen kopen en nog minder dat hij sinds de komst van de nieuwe scheermesjes geen zeep meer hoeft te gebruiken en nog minder dat hij de kachel ’s nachts niet durft te laten branden

en zo gaat Wiener nog flink wat regels door. ‘Dit kromme geredeneer, dit gesudder in zijn eigen fijn, huiselijk geluk, staat mij zeer tegen,’ aldus Wiener.

In Buddingh’s dagboeken wordt Wiener één keer genoemd, maar niet in verband met diens kritiek, Hermans in totaal twaalf keer. Het mag wel ironisch heten dat Buddingh’ in november 1977 noteert Boze brieven van Bijkaart ‘zeer onderhoudend, echt ideaal voor het ziekbed’ te vinden.

Tussen 25 september 1978 en 1 oktober 1979 maakte Buddingh’ geen aantekeningen in zijn dagboek. Pas op 2 oktober heeft hij het over ‘de felle aanval van Hermans op mij in NRC Handelsblad, een aanval die ik natuurlijk nooit leuk zou hebben gevonden, maar anders na zo’n dag of drie, vier toch wel weer zou hebben geïncasseerd.’ Verderop citeert hij met kennelijke instemming uitgever Theo Sontrop: ‘Het blijft de toon van een bovenmeester.’

Op 1 december 1979 schrijft Buddingh’:

Afgelopen dagen zitten lezen in het nieuwe boek van Willem Frederik Hermans: Ik draag geen helm met vederbos. Aardig. Heel spits meestal. Ik ben altijd een groot bewonderaar van zijn werk geweest en ik hoor gelukkig niet tot degenen die hun oordeel over een auteur plotseling wijzigen, als hij zich onvriendelijk over je eigen werk uitlaat. Maar ik denk wel: eenmaal was hij een van onze beste romanciers en korte-verhalenschrijvers. Nu is hij een van onze puntigste journalisten. En dat is toch wel jammer voor onze nog altijd vrij magere literatuur.

In de jaren daarna maakte Buddingh’ nog maar sporadisch dagboeknotities. Het is onwaarschijnlijk dat dit te wijten was aan de polemiek van Hermans. Eind 1977-begin 1978 was zijn gezondheid al gaan kwakkelen. Een longontsteking of wat daarvoor doorging hield hem twee weken aan huis gebakken – ‘de Kronieken van Menno ter Braak [gelezen], wel opwindend en ook nog steeds zeer bijzonder tot perfect (in hun genre)’ –, begin februari vertelde zijn huisarts hem dat hij suikerziekte had. In datzelfde jaar kreeg hij ‘last van een afschuwelijk sanatoriumsyndroom’. In de jaren veertig had hij in verschillende perioden in totaal vier jaar in een sanatorium doorgebracht. Werken ‘kon ik nauwelijks tot absoluut niet: ik zat maar achter mijn tafel te dommelen en te vegeteren. Pas sinds gisteren voel ik me plotseling weer volkomen prima: heb weer overal zin in, heb weer al mijn oude energie terug.’

Hermans bleef zich nog vermaken met pastiches op het dagboek. Hij verhaspelde de titel van het vierde deel van Buddingh’s aantekeningen tot Een late tijd om mooier te worden. In pseudo-dagboekvorm reageerde hij op een kritische bespreking van Houten leeuwen en leeuwen van goud door K.L. Poll die eindigde met de vaststelling: ’[…] als er op het ogenblik reden tot klagen bestaat over een goedkope manier van tekstproduktie, dan is dat eerder over de opmars van de boeken-met-stukjes dan over de opmars der dagboekaniers.’

Hermans: ‘Het dagboek dat u, lezer, hier onder de neus hebt, moge bewijzen dat ik me, zoals het hoort, gretig aansluit bij opmarsen die ik toch niet kan tegenhouden, blijkbaar.’

Ging het Hermans nu wel of niet om de persoon Buddingh’?

Hermans en Buddingh’ hebben elkaar maar twee keer ontmoet, liet Hermans weten aan de bezorger van Buddingh’s nagelaten werk en diens toen beoogde biograaf, Ares Koopman:

De tweede keer liep ik hem tegen het lijf op het feest in de Stadsschouwburg van Amsterdam waarmee Geertjan Lubberhuizen als directeur van De Bezige Bij werd uitgeluid (1981).
Ik vroeg Buddingh’ waarom de vele fouten in zijn dagboeken bij herdruk niet verbeterd werden. ‘‘Dat is zoveel werk voor de drukker’’ meende hij.
Zelf menend dat een schrijver nooit bevreesd moet zijn een drukker veel werk te verschaffen en dat de kwaliteit van een tekst een belang is waarvoor alle andere belangen dienen te wijken, geloof ik niet dat, zoals sommige vrienden van Buddingh’ rondbazuinen, de Dordtse dichter door mijn kritiek (1978) op zijn dagboeken ernstig en onherstelbaar geschokt is geweest. Zijn eerbied voor drukkers was en bleef groter dan zijn eerbied voor mij.
Van door mij op Buddingh’ gepleegde ‘‘karaktermoord’’, wat ook wel wordt beweerd, kan al helemaal geen sprake zijn, omdat ik, zoals men ziet, Buddingh’ niet of nauwelijks persoonlijk kende en niets van zijn karakter afwist. Daarover staat dan ook geen woord in mijn kritiek (herdrukt in de bundel Houten leeuwen en leeuwen van goud) die alleen uitgaat van wat hij geschreven had.

Het ging Hermans dus, zegt hij, niet om de persoon Buddingh’, maar om het dagboek zelf, om de kneuterigheid ervan (of om het Wiener na te zeggen: ’dit gesudder in zijn eigen fijn, huiselijk geluk’) en om de talloze slordigheden die erin voorkwamen. 

Maar: ‘Als kneuterige Kees eens ophield karrevrachten oude boekjes uit Engeland te halen, die hij natuurlijk ook nog lezen moet. Als hij zich eens helemaal op zijn eigen schrijverij concentreerde?’

Maar: ‘Geloof me, Kees’. 

Maar: ’Wat wil je nu eigenlijk liever’. 

Maar: ’Hoe durf je’… 

Dat is toch ontegenzeggelijk ‘de toon van de bovenmeester’ die Kees er persoonlijk op aanspreekt dat zijn houding niet deugt, die hem oproept zijn leven te beteren en meer aandacht te schenken aan zijn taalgebruik dan aan zijn gezin?

In zijn dagboek liet Buddingh’ zijn lezers toe tot zijn persoon, niet meer, niet minder. Hij had geen literair alter ego, hij schreef – en het dagboek is daartoe natuurlijk het medium bij uitstek – over zichzelf, over hemzelf als ‘een mens in de tijd’, over zijn leven met Stientje en zijn zoons in het Dordt dat hij deelde met zijn vrienden en de literaire wereld rond De Bezige Bij – niet alleen in zijn dagboek, maar ook in zijn poëzie. 

Dat is dus precies waarover het gaat. Bij Buddingh’ vloeiden persoon en werk naadloos in elkaar. Hij wás every inch de familyman (om in dat begrip maar even alle veronderstelde kneuterigheid te concentreren) die uit zijn werk sprak. Net zoals het werk van Willem Frederik Hermans door geen ander dan Willem Frederik Hermans geschreven zou kunnen zijn, kan dat van C. Buddingh’ alleen door C. Buddingh’ geschreven zijn.

Het werk aanvallen is de man aanvallen.

Dan was Buddingh’ ook nog een verklaard bewonderaar van Ter Braak en Du Perron, tegen wie Hermans zijn leven lang in woord en geschrift is blijven vechten, ook al stierven beiden – onafhankelijk van elkaar, Ter Braak in Den Haag door zelfmoord, Du Perron in Bergen door hartfalen – op de dag waarop Nederland capituleerde voor de Duitsers. Hun schimmen zijn Hermans altijd blijven dwarszitten.

Frank van Dijl

Dit essay verscheen in het boek Hermans honderd (Uitgeverij IJzer) dat in 2021 verscheen op de honderdste geboortedag van Willem Frederik Hermans. Ik heb de voetnoten hier weggelaten. Lees hier ‘Bijzonder aardig; prima, prima’, het artikel van Hermans in NRC Handelsblad van 29 september 1978.