Een zoektocht naar de grote liefde

Het werk van Yusuf Atılgan (1921 – 1989) wordt in Turkije nog steeds gretig gelezen, ondanks of misschien wel dankzij de weerstand die het al decennialang oproept bij het minder literair ingestelde deel der natie. Zo bereikte de in 1973 voor het eerst verschenen roman Anayurt Oteli inmiddels de 36e druk. In oktober wordt de Nederlandse vertaling ervan uitgebracht onder de titel Hotel Moederland. Deze vertaling vormt een belangrijke toevoeging aan de lijst van Turkse meesterwerken die in de afgelopen jaren in het Nederlands werden vertaald. Yusuf Atılgan wordt samen met Ahmet Hamdi Tanpınar en Oğuz Atay gerekend tot de grote vernieuwers van de Turkse romankunst. Zijn kleine oeuvre is van grote betekenis geweest voor vele schrijvers die na hem kwamen, onder wie Orhan Pamuk.

Hotel Moederland is een inktzwarte roman waaruit een ontluisterend mensbeeld spreekt. Het verhaal speelt zich af in de jaren zestig in een doorsnee provinciestad in het zuidwesten van Turkije waar de tamelijk onnozele Zebercet een hotel bestiert dat hij onder zijn hoede heeft gekregen na de dood van zijn vader die er ook al hotelklerk was. Zebercet herhaalt dagelijks een reeks handelingen die horen bij zijn eenvoudige taak: openen, afsluiten en als er nieuwe gasten komen, wijst hij ze een kamer toe en geeft hij ze de sleutel mee. Tevens houdt hij een eenvoudige administratie bij. Hij komt zo weinig mogelijk buiten. Een of twee keer per jaar gaat hij naar de kleermaker, een keer per halfjaar naar het badhuis, een keer in de vier weken naar de kapper en een keer per maand naar het postkantoor om de inkomsten van het hotel over te maken. Het hotel is eigendom van de heer Faruk, een telg uit het ooit steenrijke Keçeci-geslacht. Het enige andere personeelslid is de werkster, die op haar zeventiende door haar oom bij het hotel werd afgezet, nadat ze door haar eerste man was verstoten. Als ze niet slaapt, maakt ze het hotel schoon of bereidt ze het eten. Zebercet kruipt regelmatig ’s nachts bij haar in bed. Hij neemt haar dan in haar slaap en het lijkt erop dat zij in het geheel niet doorheeft wat er gebeurt.

Ze sliep zonder onderbroek, zodat ze niet wakker zou worden als die uit ging, met haar benen een beetje van elkaar. Zelfs wanneer hij haar streelde of op haar lag werd ze niet wakker. Soms beet hij haar in haar borst; ‘Pff, vuile hond!’ zei ze dan in haar slaap, of ‘Ksst, vuile hond!’ Als hij weer van haar af kwam veegde hij haar kruis af met een zakdoek.

Zebercet houdt zijn gasten de hele dag en soms ook ’s nachts nauwlettend in de gaten. Op basis van wat hij ziet en hoort, laat hij zijn fantasie de vrije loop. Hij schroomt niet om af en toe eens bij een deur te gaan staan luisteren om zich een betere indruk te kunnen vormen van de mensen die in de kamers logeren. Onder hen bevinden zich de Officier Buiten Dienst die de hele dag boeken en kranten zit te lezen en daarbij de ene na de andere sigaret opsteekt, een onderwijzer en een onderwijzeres die er in het geniep een affaire op na lijken te houden en een dame die regelmatig oudere mannen meeneemt naar een van de kamers boven om ze daar tegen betaling aan hun gerief te laten komen.

Zo draagt Zebercet zijn pakje ter markt, totdat er een dame in het hotel komt logeren die zijn leven op desastreuse wijze ontregelt. Atılgan beschrijft haar in een paragraaf, waar hij een kop in kapitalen boven heeft gezet, als volgt:

DE VROUW DIE MET DE VERTRAAGDE TREIN UIT ANKARA KWAM:

Een jaar of zesentwintig. Tamelijk lang, volle boezem. Zwarte haren en ogen; lange wimpers, licht geëpileerde wenkbrauwen. Een spitse neus, dunne lippen. Een strak donker gezicht.

De vrouw die met de vertraagde trein uit Ankara kwam maakt grote indruk op Zebercet. Tot zijn spijt blijft ze maar kort. Als ze vertrekt, geeft ze aan terug te zullen keren. Zebercet houdt haar kamer vrij. Hij gaat naar de kapper om zijn snor af te laten scheren en hij koopt nieuwe kleren. Zijn gedachten worden bepaald door de momenten waarop hij even met haar samen was. Doordat Atılgan in deze passages de leestekens achterwege laat, versterkt hij het obsessieve karakter van Zebercets fascinatie:

hij had er zes op gelegd die avond kan ik misschien een glas thee krijgen had ze gevraagd toen ze de kamer inging hij had een pot gezet genoeg voor drie glaasjes met in zijn ene hand het dienblad had hij op de deur geklopt binnen had ze gezegd daar zat ze op de rand van het bed ze had haar jas uitgedaan haar zwarte trui haar zilveren ketting met grote ronde schakels ze had gekeken dank u wel daarna had ze gevraagd hoe ze naar het dorp kon komen kunt u me in dat geval om acht uur wekken alstublieft en gezegd dat ze geen identiteitskaart had alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was…

Naarmate de tijd verder verstrijkt, groeit bij Zebercet steeds meer het besef dat hij de vrouw die met de vertraagde trein uit Ankara kwam nooit terug zal zien. Het betekent voor hem het begin van het einde.

Atılgan beschrijft uitermate nauwkeurig wat er in Zebercet omgaat, maar hij laat de emoties geheel buiten beschouwing. Op deze manier daagt hij de lezer uit om zich te identificeren met een volledig afgestompt personage dat niet in staat is om deel te nemen aan de werkelijke wereld. Het is aandoenlijk om te lezen hoe de getormenteerde Anatoliër in de loop van het verhaal nog een paar pogingen doet om zijn bestaan weer enige glans te geven. Na jaren van afzondering trekt hij eropuit om zich onder zijn stadsgenoten te begeven. Bij een hanengevecht ontmoet hij een jongeman die hem vraagt om samen met hem naar de bioscoop te gaan. Even lijkt het erop dat Zebercet ingaat op de avances van de jongen, maar als de film is afgelopen maakt hij zich toch uit de voeten en geeft hij zich definitief over aan zijn liefdeloze lotsbestemming.

De hele roman ademt een zwaarmoedigheid die hoort bij de kleine provinciestadjes in het Turkije van de jaren zestig, waar de bewoners op allerlei manieren lucht krijgen van de modernisering die de Turkse republiek ondergaat om te kunnen transformeren tot een modern Europees land, maar die voor velen van hen veel te snel van de grond komt. Onvermijdelijk dringt zich de vergelijking op met De lanterfanter, de roman die Atılgan veertien jaar eerder schreef en waarin hij eveneens een door en door vereenzaamde einzelgänger portretteert. Het grote verschil is dat C., de hoofdpersoon uit deze roman, een rijke Istanbuler is, die er zelf voor gekozen heeft om de maatschappij de rug toe te keren en zich enkel en alleen nog bezig te houden met zijn zoektocht naar de grote liefde. In plaats van zwaarmoedigheid is in deze roman eerder sprake van een lichtvoetige melancholie.

De modernisering die in de jaren twintig in de kersverse Turkse republiek werd ingezet door Mustafa Kemal Atatürk lijkt vandaag de dag vooral te werken als een splijtzwam tussen het progressieve seculiere deel van de bevolking in de grote steden en het conservatieve religieuze deel op het platteland. Atılgan liet met zijn romans al in de tweede helft van de vorige eeuw zien hoe die tweespalt tot stand kwam door twee goddeloze personages te creëren die aan weerskanten van het nieuwe maatschappelijke spectrum afscheid nemen van de Turkse besognes; botweg houden zij ermee op mee te draaien in de zinloze alledaagsheid van het moderne leven.

Yusuf Atılgan schreef maar twee romans, maar wát een romans. Hoe een klein oeuvre groots kan zijn binnen de Europese literatuur.

Ronald Ohlsen

Yusuf Atılgan – Hotel Moederland. Vertaald door Hanneke van der Heijden. Jurgen Maas, Amsterdam. 236 blz. € 19,95. (vanaf 13 oktober in de boekhandel)