Een dodelijk oplossend vermogen

In Arnon Grunbergs De joodse messias is iedereen bezeten – Xavier Radek niet in het minst. Zijn grootvader had ‘met oprecht enthousiasme en veel vertrouwen in de vooruitgang’ de SS gediend, daarom wil hij ook een beweging dienen. In Basel meldt hij zich aan bij een joodse jeugdvereniging. Hij zwemt op zomerse namiddagen met een groep zionisten in de Rijn. Zijn verlangen om de trooster der joden te worden is zo groot, dat hij jiddisch wil leren. Samen met de zoon van een rabbijn vertaalt hij Mein Kampf in het jiddisch. Ook laat hij zich besnijden.

Dit zijn nog maar een paar, en dan nog niet eens de pittigste, van de ingrediënten die Arnon Grunberg (33) in zijn nieuwe roman heeft gestopt. Je vraagt je af hoe bezeten de schrijver zelf is.

De joodse messias, 494 bladzijden dik, verschijnt vijftien maanden na zijn vorige grote roman De asielzoeker. Nog maar tien jaar geleden kwam hij met zijn officiële debuut Blauwe maandagen de Nederlandse literatuur binnengedenderd. In de jaren na zijn debuut maakte hij de belofte van fenomeen helemaal waar.

Blauwe maandagen was slapstick van grote klasse: Grunberg beschreef het joodse familieleven als een gekkenhuis. Hij werd vergeleken met Herman Brusselmans. In De joodse messias, het voorlopige hoogtepunt van Grunbergs alsmaar uitdijende oeuvre, is de slapstick nog aanwezig maar dan in de vorm van een surrealistisch absurdisme.

Ik denk dat Arnon Grunberg de enige auteur is – zeker de enige Nederlandse auteur – die zich een zin kan veroorloven als:

‘Als de joden met de Duitsers hadden gepraat, van man tot man, zonder meteen hun stem te verheffen, dan had de vrede een kans gekregen.’

In dit soort groteske omdraaiingen schuilt de kracht van Grunberg. Ook in zijn groteske overdrijvingen trouwens, zijn beheersing van het banale en het absurde en de manier waarop hij clichés over joden uitbuit. Zijn figuren neigen soms naar het karikaturale, maar karikaturen drukken iemands wezen beter uit dat een fijngepenseeld, geflatteerd portretje.

Er wordt heel veel gebloed in De joodse messias. De jodentrooster zelf verliest veel bloed (en een teelbal) bij zijn besnijdenis, maar het ergste moet nog komen. Het is zoals Xavier op de voorlaatste bladzijde opmerkt: ‘Onze enige troost is de vernietiging.’

Vroeger had je stuf van het merk Radex waarmee je inkt kon uitgommen. En was het niet de vlekkenpasta van K4 waarmee je elke (bloed)vlek wegwerkte? Het oplossend vermogen van Xavier Radek, een anagram van die twee merknamen, is aanzienlijk radicaler. Het is dodelijk.

Frank van Dijl

Arnon Grunberg – De joodse messias. Vassallucci.

Deze recensie verscheen eerder in Algemeen Dagblad, 28 augustus 2004.

0

Reacties