Stuivend zand

Als stuivend zand liggen de letters in de bundel Waar leg ik mijn hart groter en kleiner over de linkerbladzijden uitgestrooid, maar vaak ook over de pagina met een gedicht. De letters vormen samen een woord dat in het gedicht voorkomt. Ik vraag me af welk criterium de dichteres heeft gebruikt bij het kiezen van het woord.
Het eerste gedicht gaat zo:

Liefde baart altijd wel iets
kunstig geborduurde muilen een roos van hout
haast honger slordigheid
kussen natter dan water
zou het uitmaken welke hand
boven ligt in gebed

Hier ‘stuift’ het woord ‘muilen’ voorbij. ‘Liefde baart altijd wel iets’, wat is dat nu voor slappe regel? En wat wordt gebaard? ‘kunstig geborduurde muilen een roos van hout’
Welke hand ligt boven in gebed?

Achterin de bundel staat dat de bundel is geïnspireerd door de geschiedenis van Den Tilsandede Kirke bij Skagen. De Laurentiuskerk is daar sinds de 18de eeuw ondergestoven. Alleen de witte toren staat er nog als baken voor zeelieden. Onder het zand liggen de resten.

De dichteres grossiert in zelfstandig naamwoordgroepen:

Vuurtorens in het gras ver van de
horizon van water de koepel dof
een eierdop leeggezogen ligt
te bleken in een nest van ijzer
de trap de schacht de zware deur
verpletterd door de kracht van
korrel boven korrel schuivend weg van
banken klippen rotsen

Het gaat om een land van vissers, maar waarom laat de dichteres zich meer leiden door gezochte alliteratie dan door precieze verwoording van een waarneming?:

De geur van teer en taai en turf
van vissendarmen
dunne soep de snottige vette
walm vanuit de bedkoof
haarvet slaapzweet gemorst zaad
een roetstreep langs de weg
naar boven tussen vuur en dak

Het zand stuift en schuift, zoekt naar houvast ‘aan een kiezel een schelp aan mosselgruis’ (van dit laatste woord staan de letters boven het gedicht uitgestrooid). Het zand wordt duin: ‘zich vochtig opende / voor zaad en / zon’ en dat leidt tot ‘totdat mijn gladde meisjesrug / erover gleed / mijn dijen /voor het eerst / zich vochtig opende / voor zon / en zaad’ De n achter ‘opende’ ontbreekt in de tekst.

De ik is nogal dol op vettige vesten, raspende wangen, bittere monden en dan ‘leg je hand op mijn buik / trek een draad met je mee / sla spinrag als zijde / om mijn woorden / langs te sturen’ en dan wordt het ook nog een liefdesgeschiedenis.

Nou ja…

Remco Ekkers

Wendela de Vos – Waar leg ik mijn hart. Kontrast, Oosterbeek. 67 blz. € 15.

Reacties