Schrijf het op. Leg het vast (olifant in porseleinkast)

Plaats van handeling in Bindervoets De olifant van Oostzaan is het hotel, ooit geboorteplek, nu vertrekpunt van de ik als dichter. De ik leidt ons door de tekst, zijn levensverhaal. In de ordeloze hoeveelheid herinneringen, anekdotes, ongestructureerde snippers en stapelingen van taal ontwaren we echter geleidelijk, weliswaar overwoekerde, maar toch lijnen van waaruit verhalen ploppen als luchtbellen uit een moerasbodem.

Bindervoet is niet bepaald een liefhebber van lyrisch getoonzette poëzie: veel te veel betekenis, onvrijheid en mooischrijverij vindt hij dat. Toch houdt hij de touwtjes in deze bundel stevig in handen. Hij laat ze vieren als hem dat nuttig voorkomt of gewoon, als hij zich niet kan bedwingen. Dan stuurt hij je het bos in. De ik als dichter, als machtig centrum, als Olifant (zie ook de kaft van het boek waarop de indrukwekkende olifant Celebes, in 1921 geschilderd door Duitse surrealist Max Ernst). Met Robert-Jan Henkes met wie hij al een half leven intensief samenwerkt, vertaalde Bindervoet niet alleen de gehele Joyce (van waaruit rechtstreekse lijnen lopen naar zijn werk), zij schreven ook een manifest voor wat zij noemden Ugly Poëzie. Poëzie die de poëzie voorbij is, vol associaties, straatpraat en rommelige gedachtestromen. Dat die poëzie helemaal niet ugly hoeft te zijn, in ieder geval niet qua vorm, zagen we al in de bundel Aap (2002) die uitsluitend bestaat uit ingenieus samenhangende kwatrijnen.

Hieronder het begin van het lange gedicht dat als basis de strenge vorm van de haiku heeft (5-7-5 lettergrepen) met daaraan toegevoegd twee regels van 7 lettergrepen. Waarmee een renga wordt geboren, een Japans kettinggedicht waaraan verschillende dichters meewerken:

Bushalte de Kolk
Waar molen De Olifant
Stond, lang geleden,
En later badhuis annex
Verpleeghuis Ons Verpleeghuis,
[…]
Mijn geboortehuis,
Ontworpen door architect
J. van Hardeveld
Vader van verzetsheldin
Annick Germaine Mathilde,
[…]
Je kleine zusje Inge
die hier ook geboren is,
In dit verpleeghuis,
Voorheen molen D’ Olifant,
Nu een geteisterd hotel.
[…]

En ja, als een echte renga betaamt werkten ook aan Bindervoets lange tekst talloze anderen mee. Ze worden achteraan de bundel allemaal genoemd, vier dik bedrukte pagina’s namen plus de volgende tekst op de website van de Arnhemse toneelgroep tgEcho die het stuk Hotel Informatie op het programma zette:

Tijdens de tournee van Hotel Informatie werkt onze tekstschrijver Erik Bindervoet aan een gedicht over dezelfde thematiek als de voorstelling, want de informatie-overload houdt nooit op. Hij wordt graag geïnspireerd door vragen en antwoorden die bij jou leven. Laat je vraag en/of antwoord bij ons achter en draag zo bij aan Bindervoets gedicht. Wat doet deze overdaad aan informatie met ons, vragen ze zich af.
Bindervoet geeft zelf het volgende antwoord:

Een koor van stemmen,
Stemmen van onder, stemmen
Van boven, stemmen van
Buiten, zwelt aan, door elkaar,

Door elkaar heen, door
Elkaar heen, met orkaankracht,
In antwoord op wat
En over iedereen heen wordt
Uitgestort, zonder pardon.

Opgelucht zijn we als we halverwege de eerste helft van de bundel nachtwakers tegen komen. We herkennen ze als Pieter Steinz, Wim Brands, Joost Zwagerman en René Gude.

Ah! de nachtwakers
Komen met hun zaklantaarns,
Nachtwaker Pieter,
Nachtwaker Wim, nachtwaker
Joost en nachtwaker René.

De nachtwakers schijnen bladzijdenlang hun licht op de materie die zorgen baart. Wim de vragensteller, Pieter de verteller, René Gude, de richtingwijzer en de zwijgende Joost Zwagerman. Ze worden alle vier op typisch Bindervoetse wijze gekarakteriseerd. Maar ze zijn ook dood. Bindervoet zal ze goed gekend hebben en schrijft een uiteraard tegendraads hommage. In de tweede helft komen we ze nog een keer tegen, nu in rijm en ingebed door tientallen Facebookberichten, anekdotes, losse woorden, namen, zinnetjes en uitroepen. En dan klinkt het, verkort, zo: ‘[…] I’m Wim … I swim … Ik ben Pieter … Levensgenieter … Ik ben Joost … Ik zoek troost … Ik ben René … Ik zeg nooit nee. […]’ Melig, boud en tragisch tegelijk. Alles opgeschreven door een ik en alles van elkaar gescheiden door puntjes: … . Die ik-verteller als centrum helpt ons overigens bij de les te blijven. Het geheel mondt uit in de figuur van de Aap van Szymborska, ook visueel gemaakt doordat de regels dan onder elkaar geplaatst zijn. Maar het gedicht zelf moet nu de ik regelmatig bij de kladden grijpen omdat hij zo afdwaalt:
• Ho! Stoppen maar! zegt het gedicht tegen me
• Het zou gaan over de Aap van Szymborska
Waarna een soort dialoog ontstaat tussen het gedicht dat orde wil en de tegenstribbelende dichter die alle kanten uit blijft meanderen.

Vervolgens is er de lange passage waarin de dichter de werkelijkheid in taal wil betrappen du moment dat die zich voordoet. Hij schrijft op wat zijn zintuigen hem bieden. Het is een procedé dat al wel vaker is uitgetest. Maar Kouwenaar zei al dat je met een gedicht geen ruit kunt ingooien.

In het laatste gedeelte lijkt de dichter persoonlijk te worden: daar zijn de zinnetjes nostalgisch maar ook triestig van toon. Ze hebben te maken met de wereld verbeteren (hoe ga jij dat doen?), met angst, moed, het geheimzinnige ik. De opsomming deed me erg deed denken aan de te kleine potloodjes die bij Uil thuis achter het fornuis zijn gevallen en waar Uil zo van moest huilen dat hij er tranenthee van kon zetten (A. Lobel). Bushalte De Kolk komt terug en met bushalte De Kolk eindigt het gedicht met de boodschap: herhalen tot het moment van overlijden. In een eeuwig perpetuum mobile.

Het is mooi en ontroerend (wil de dichter dat wel?). Maar je moet engelengeduld hebben om alles te blijven volgen, ook dreigt saaiheid doordat de zinnen zelf, als je ze eenmaal hebt doorgrondt, coherent zijn en in eenvoudige, weinig avontuurlijke taal zijn opgeschreven.

De tekst als experiment en de dichter Bindervoet houden ons een spiegel voor. De tijd is cyclisch. De tekst is een netwerk dat eruit ziet als een ondergronds stelsel van plantenwortels. Waar is ik? Is ik nog steeds een ander? In de filosofie en in de literatuur lopen de lijntjes dan al gauw naar het postmodernisme en de Amerikaanse Language poets, naar een dichter als Jeroen Mettes (N30) en een schrijver als Tonnus Oosterhoff (Op de rok van het universum). Als Vorläufer zou ik hier wel een lans willen breken voor de dichteres F. Harmsen van Beek. Kennis nemen van haar begrip ‘Neerbraak’ is voor iedere hedendaagse (taal)dichter een must. Bindervoet hoort uiteraard in deze illustere rij thuis, ook al laat hij de plantenwortels snoeien door een keurige ik-verteller.

Jane Leusink

Erik Bindervoet – De olifant van Oostzaan. De Harmonie. Amsterdam. 80 blz. € 17,90.

0