Planken zijn nog geen papier

De complete verstripping van het oeuvre van de Franse (toneel)schrijver en cineast Marcel Pagnol (1895 – 1974) zal uiteindelijk uit dertig albums bestaan. Het omvangrijke project is op stoom en bevat intussen veertig procent van het totaal: in Frankrijk zijn twaalf albums verschenen en gelukkig houden de vertalingen vrijwel gelijke tred. Bij de Belgische uitgeverij Saga verschenen al negen albums, waaronder drie van de vier delen van Pagnols autobiografie. Komende mei zal de stripversie worden afgerond met het verschijnen van Tijd voor liefde.

Dat het project, dat vijftien jaar zal duren, ook buiten de stripwereld is opgevallen, blijkt uit de toevalligheid dat afgelopen zomer Pagnols autobiografie ook als vertaalde roman bij De Geus verscheen: Mijn kinderjaren in de Provence, zoals het in romanvorm heet, bevat de eerste twee delen – De gloriedagen van mijn vader en Een kasteel van mijn moeder. Bijzonder, want hoewel Pagnol een grote naam is in Frankrijk, werd zijn levensverhaal, dat voor het eerst verscheen in 1957, nog niet eerder in het Nederlands vertaald.

Deze maand verscheen het losse album Cigalon, een verhaal dat oorspronkelijk als filmscenario diende maar in 1935 als film volledig flopte. Het werd daarna opgepikt en bewerkt tot een zeer succesvol toneelstuk, dat tot Frankrijks favoriete Pagnol-stukken hoort, vooral omdat kleine gezelschappen prima uit de voeten kunnen met de mise-en-scène.

Dat we te maken hebben met een toneeltekst blijkt onmiddellijk. Het album, dat werd getekend door Éric Hübsch, komt erg langzaam op gang. Er is veel tijd gestoken in sfeerelementen die de bescheiden vertelling omlijsten. Uiteindelijk is Cigalon zelfs een heel klein verhaaltje, dat het vooral moet hebben van theatrale armgebaren, venijnige discussies en op de spits gedreven ruzietjes.

Chef-kok Cigalon baat een restaurant uit, maar uitdrukkelijk zonder klanten te bedienen. In plaats van een maaltijd kunnen zij een veeg uit de pan krijgen van de kok, die desondanks hoog opgeeft van zijn voortreffelijke kookkunsten. Als op een dag zijn voormalige wasvrouw zich bij hem meldt met de mededeling dat zij een fijne eetgelegenheid gaat beginnen, nota bene pal naast het etablissement van Cigalon, zijn de rapen gaar. Met een flinke dosis misplaatste pathos vat de gesoigneerde kok dit plan samen: ‘Ik heb beledigingen, onbeschoftheden, gevloek, smeerlapperij, vuiligheid gehoord… maar zo’n misdadige onbeschaamdheid nog nooit!’

Cigalon ziet het voornemen van mevrouw Toffi als een oorlogsverklaring en maakt duidelijk dat hij de zaak van zijn concurrente zal wegvagen. Hübsch laat deze gebeurtenissen plaatsvinden in een zonovergoten en groene setting, een typisch Frans bergdorpje dat een culinaire ruzie maar moeilijk verdraagt. Zijn tekeningen geven het landelijke, rustige perfect weer. Alles ademt vriendelijkheid tot de dag dat beide restaurant werkelijk de deuren openen. Voor de gelegenheid heeft Cigalon de pannen gepoetst en ziet hij in de weerspiegeling een kok die zomaar tien jaar jonger is geworden. De viriele vijftiger heeft zijn ambitie en lust teruggevonden.

De eerste gast die met een taxi het dorp bereikt en die er piekfijn uitziet, wordt door beide restaurantiers begeerd. Tot afgrijzen van mevrouw Toffi kiest het vermogende heerschap voor de kookkunsten van Cigalon, die hem gang na gang voorzet. Bij ieder couvert wordt Cigalon gelukkiger en bij het digestiefje met sigaar is zijn overwinningsroes compleet. Het zal Toffi leren hem dwars te zitten. Maar dan biecht de voorname eter iets op.

De slotscène is er een van het toneel, inclusief oploopje van dorpsgenoten en de aanwezigheid van veldwachters die de klucht in goede banen moeten leiden. Met een paar geestige wendingen weet Pagnol het verhaal een charmant einde te bezorgen. Op het moment dat de toneelspelers op rij buigen voor het publiek is ook het stripverhaal af, nogal plompverloren.

Het slot zal op de planken vast beter uitpakken dan op papier: de stripbewerking van Cigalon is niet de meest geslaagde van de Pagnol-bewerkingen die het duo Serge Scotto en Éric Stoffel voor hun rekening namen. De gesprekken zijn vaak zo op de letter nauwkeurig dat de tekeningen het nauwelijks kunnen bijbenen. De ontmoeting van een hongerige familie met Cigalon in het begin van het verhaal is bijvoorbeeld een razendsnelle dialoog waarbij de opmerkingen, verwijten en emoties in sneltreinvaart langs suizen en er geen tijd lijkt om adem te halen. Pas als Toffi langskomt, zakt het tempo wat in en krijgt de lezer tijd om van de omgeving te genieten. En dat kan voluit: van de streekgebonden, typisch Franse verhalen en het prachtige tekenwerk raak je gemakkelijk in vervoering. Dan blijkt er ineens een francofieletje in ieder van ons te schuilen.

Stefan Nieuwenhuis

Serge Scotto, Éric Stoffel & Éric Hübsch – Cigalon (naar Marcel Pagnol). Saga, 64 blz. (hardcover). € 19,95.

1

Reacties