Alle aandacht voor Marcel Pagnol is welkom

Het jaar 2017 is van Marcel Pagnol, de Franse schrijver en cineast (1895-1974) van wie er dit jaar al zes prachtige albums verschenen met stripbewerkingen van nooit eerder in het Nederlands vertaald werk. Tot voor kort, want toeval of niet: terwijl uitgeverij Saga in februari van dit jaar begon met de uitgave van Pagnol-strips, kwam De Geus deze zomer met het eerste deel van zijn autobiografische roman De gloriedagen van mijn vader op de proppen, en zal in 2018 de vervolgroman Een kasteel voor mijn moeder uitkomen. Beide verhalen bestaan inmiddels in stripvorm, die net als de andere delen naar strip zijn vertaald door Serge Scotto en Éric Stoffel.

Afgelopen maand verscheen het album Jazz, dat in 1926 als toneelstuk werd gepubliceerd en niets met jazz te maken heeft. Het oorspronkelijke verhaal heette Phaëton, een klassieke titel die verwijst naar een tekst van Plato. Het was dichter Rodolphe Darzens die Pagnol er van wist te overtuigen de naam te veranderen. Hij had alle recht, omdat Pagnol het werk aan hem had opgedragen. Darzens vond de thematische uitwerking veel te modern voor zo’n klassieke naam, en zo werd het Jazz, destijds de muziekstijl die stond voor het nieuwe, jeugdige en chaotische, en daarmee perfect passend bij het verhaal.

Toch heeft de tekst van Plato een prominente rol in het verhaal. Classicus Blaise, een bevlogen schriftgeleerde, heeft zijn leven gewijd aan de ontcijfering van de Phaëton. Hij heeft er academisch aanzien en een hoogleraarschap aan overgehouden, maar heeft onderweg vergeten te leven. Geen vrouw, niets dan alleen die ene tekst. Althans, dat vindt zijn oude vriend Barricant die hem op een dag komt opzoeken. De boodschap van Barricant heeft aanvankelijk weinig uitwerking op de eigenzinnige Blaise, maar als er iets onvoorziens gebeurt zet dat het leven van de hoogleraar volledig op zijn kop. Hij gooit het vanaf dan over een andere boeg.

Net als in de vorige delen van de reeks is er ook in dit verhaal voor gekozen om dicht op de tekst van Pagnol te zitten, waardoor je soms iets leest wat je ook ziet, maar altijd in die volgorde. Het kleurt de leeservaring en geeft het verhaal iets van een natuurlijke ouderdom. Dat wordt nog versterkt door de entourage van het verhaal en het bedeesde kleurgebruik. De lezer stapt werkelijk terug in de jaren twintig van de vorige eeuw. Er wordt bewust geen poging gedaan de verhalen van Pagnol in een modern jasje te steken en dat is een goede keuze.

Het tekenwerk is van A. Dan, eigenlijk Daniël Alexandre, die eerder ook het one-shot Kabeljauwtje tekende, naar de film Merlusse uit 1935. Zijn tekenstijl is net iets ruwer dan dat van de andere Pagnol-verstripper Morgann Tanco, die liever, ronder en innemender tekent. In het geval van Jazz pakt dat goed uit, omdat het een veel somberder verhaal is. Het is bovendien een verhaal dat qua toonzetting uit de toon valt: het is harder en onaardiger, waar de andere verhalen loom kunnen voortkabbelen, zeker de autobiografische delen.

Jazz is een goed beeldverhaal met een slotakkoord dat iets van jazz heeft; dissonant, maar net niet ontsporend. Voor het echte Pagnol-gevoel blijft het tweeluik Topaze, naar het toneelstuk uit 1928, het hoogtepunt en daarmee een ideaal instapverhaal. Daarin zitten de knapste dialogen, mooie karakterkoppen en is de ontwikkeling van de hoofdpersoon perfect uitgebeeld. Vooral dat laatste is in Jazz minder levensecht.

Stefan Nieuwenhuis

Serge Scotto, Éric Stoffel & A. Dan – Jazz (naar Marcel Pagnol). Saga Uitgaven. Hardcover, 64 blz. € 19,95.

Reacties