De dooltocht die het leven is

Net als in De kus (1977) is in Jan Wolkers’ nieuwe roman De perzik van onsterfelijkheid niet de dood het centrale thema, maar het slopende proces dat daaraan vooraf gaat: het verval, de aftakeling. Ook nu verbindt de schrijver deze zich vooral lichamelijk openbarende aftakeling met trauma’s uit het verleden, uit de oorlog om precies te zijn, en ook nu heet de enige bevrijding de dood. Het is een fantastisch goede vondst om het boek zich geheel op bevrijdingsdag 5 mei 1980 te laten af spelen, tegen de achtergrond van de na 35 jaar triomfantelijk herhaalde intocht van de Canadezen in de hoofdstad.

Jan Wolkers heeft zich er al eerder een meester in getoond alle lijnen uit één leven in één boek te laten samenvloeien, maar ik geloof dat hij in De perzik van onsterfelijkheid de uiterste perfectie heeft bereikt. Voor hem is de essentie van het leven het fatum dat de mensen in onvermoede en ongewenste richtingen stuurt. In De kus, dat naar mijn mening ten onrechte door veel critici werd verguisd, zinspeelt hij op het beroemde gedicht van Van Eyck, De tuinman en de dood, in dit boek stelt hij expliciet (blz. 238): ‘Zoals het gaat moet het gaan omdat het zo gaat. Dat is de wet voor iedereen. Dat is je geschiedenis. Dat is de gang die je gaat.’

Ook elders in het 239 bladzijden tellende boek wordt deze stelling ingenomen. ‘Je lot kan je niet ontlopen’ (blz-19). Met dit inzicht is maar één levenshouding mogelijk, die van een berustend cynisme. ‘Gewoon rustig alles naar de aarde laten neigen met welbehagen en laten vergaan. Niet bang zijn voor de natuur. Dat is ook maar een natuurverschijnsel’ (blz. 197).

De citaten zijn overpeinzingen van de hoofdfiguur uit Wolkers’ vijftiende boek, Ben Ruwiel, een oud-verzetsman die zijn leven deelt met de apathische Corrie. In de oorlog was zij bevriend met Henk, met hun drieën waren ze actief in de ondergrondse beweging. Maar voordat de Canadezen Amsterdam bevrijdden, werd Henk door een verrader doodgeschoten. Als vanzelfsprekend bleven Ben en Corrie samen, ze trouwden.

Het niets en niemand ontziende noodlot bepaalde dat deze twee mensen, die behalve hun verzetsverleden, hun gedode vriend en het na de oorlog verbitterd geraakte idealisme niets met elkaar gemeen hebben, in mensentermen: ‘niet voor elkaar bestemd waren’, na Bevrijdingsdag 1945 nog 35 jaar met elkaar moesten optrekken.

‘Twee verwoeste levens die er nooit meer bovenop zouden komen. Corrie zoekt haar heil in de drank en komt pas ’s avonds uit haar bed om naar de televisie te kijken. Ben probeert zich staande te houden met zijn ontwapenende gevoel voor humor. Ik weet niet in hoeverre Wolkers met de naam Ruwiel iets heeft bedoeld, maar het kan geen toeval zijn dat ruw en iel zo goed als elkaars tegenovergestelde zijn en dat zij zich in deze man verenigen. Zijn taalgebruik is ruw (maar diep menselijk), de man zelf is, zoals ieder ander mens, tegenover het noodlot maar een iel wezen.

Tussen man en vrouw treedt het hondje Snoet op als intermediair. Het is er nog erger aan toe dan het echtpaar: de dierenarts had al een jaar eerder een verlossend spuitje aanbevolen. Als Snoet een plasje moet doen, is hij niet meer in staat om zijn pootje op te lichten, en Ben moet de verkalkte drollen, hard als steen, uit het bloedende achterwerk van het beest peuteren.

Ontroerend is de manier waarop Wolkers de zorg van de man voor het dier beschrijft; niet in de laatste plaats dankzij de al eerder gesignaleerde, immer aanwezige, enigszins zwarte humor. Corrie is zeer gehecht aan Snoet. Hij slaapt bij haar in bed en verlaat haar alleen om door Ben een paar keer per dag in de goot gezet te worden.

Op de vijfendertigste verjaardag van de bevrijding krijgt Ben een aanval van opruimwoede. Hij zet alle lege drankflessen – een tot aanzienlijke omvang uitgedijde hoeveelheid – voor de vuilnisman aan de stoeprand, evenals het verroeste karkas van Corries brommer die ze maar één keer heeft bereden. Ben stroopt de stad af op zoek naar een nieuwe brommer, omdat hij meent dat Corrie zonder niet kan leven, maar alle rijwielhandels zijn gesloten.

Heel precies beschrijft Jan Wolkers de lange wandeling die de man op zijn laatste krachten door de feestvierende stad maakt. Telkens wordt hij duizelig en moet hij zich ergens aan vasthouden. Na een ontmoeting met een Canadees gaat hij het Rijksmuseum in waar hij wordt geconfronteerd met het schilderij waaraan, de titel van het boek.is ontleend. ‘Die moeten we zo gauw mogelijk zien te vinden, die perzik,’ mompelt Ben op blz. 150. Op zijn buik draagt hij een pakje pens voor de hond dat hij aldus laat ontdooien.

’s Middags bezoekt de man de volkstuin waar Snoet als jong beestje tussen de rabarberbladen school. Wat we al het hele boek hebben zien aankomen, gebeurt hier: Snoet ligt op sterven. Maar voor één keer neemt Ben het lot in eigen hand. Met een bijl maakt hij een einde aan het lijden van zijn lievelingswezen. Hij verbrandt het hondenlijkje in de tuin en begeeft zich moeizaam op weg naar huis, met het karkas van een andere brommer die hij op een vuilnishoop vond. Op weg naar het einde.

Jan Wolkers geeft in De perzik van onsterfelijkheid in zijn messcherpe schrijftrant een schokkend verslag van de dooltocht die het leven is, en van het onvermijdelijke einde daarvan. Het is verbijsterend dat deze schrijver zichzelf met elk nieuw boek weer weet te overtreffen.

Frank van Dijl

Jan Wolkers – De perzik van onsterfelijkheid. De Bezige Bij.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in Het Vrije Volk van 21 november 1980.

Foto: Jan Wolkers, 17 november 1984. (Sjakkelien Vollebregt / Anefo / Nationaal Archief, CC0)