Hoe maak je gedichten van Vasalis en Kopland kapot?

In de tijd dat we op de lerarenopleiding nog tentamens poëzie-analyse afnamen, de tijd dat de letterkunde nog niet bij 1880 begon, behandelden we tijdens colleges regelmatig het gedicht Afsluitdijk van M. Vasalis. Ik heb het idee dat ik het gedicht en de gedachte achter het gedicht redelijk begrijp en heb het idee dat het gedicht toegankelijk is voor iedereen, al heb ik de wonderlijkste interpretaties gelezen over geesten uit de andere wereld die op bezoek kwamen in de echte wereld. De eerste regel ‘De bus rijdt als een kamer door de nacht’ is er bij mij zo ingesleten dat ik bij bussen die in de nacht langsrijden automatisch aan die regel denk. De laatste dagen is er een discussie gaande over dit gedicht van Vasalis. Dichter Martin Reints vond de volgende regels anatomisch onmogelijk.

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Ik weet dat ik dit mooie beeld van onschuld nu niet meer kan lezen zonder de opmerking van Reints erbij te denken:

Ik denk: de een heeft zijn hoofd op de schouder van de ander en de ander heeft de zijkant zijn hoofd tegen de bovenkant van het hoofd van de een. Maar dat ze ‘op elkanders schouders slapen’? Gaat het nou over matrozen in een bus of over akrobaten in een circus?

Daarmee wordt een gedicht in één klap van een deel van zijn schoonheid ontdaan. Het is als ‘Mama Appelsap’ in de muziek. Als je eenmaal iets extra’s hoort in een tekst blijft dat de originele tekst verpesten.

Een paar jaar geleden, toen het literaire seizoen nog geopend werd met Manuscripta, trad bestsellerauteur Tatiana de Rosnay op. Een literair journalist van wie ik de naam niet zal onthullen, zei toen voor de tent waar ze acte de présence zou geven: ‘Ga je nog naar Tatiana met de Roze Snee?’ Ook dat zit nu vastgeklonken in mijn brein.

Het mooie van het goed analyseren van gedichten is dat je betekenis toevoegt. In mijn beste colleges gebeurt dat. Dat je samen met anderen komt tot mogelijkheden en verwijzingen die het gedicht veelzeggender maken dan het op het eerste gezicht leek. Niet alles is goed wat iemand bij elkaar associeert, maar de kennis van de groep kan er wel voor zorgen dat een gedicht meer prijs geeft. Gedichten van Menno Wigman lijken vaak bedrieglijk eenvoudig, maar als je heel nauwkeurig leest, dan zie je dat de woorden heel precies gekozen zijn en verschillende lagen aanboren.

Een gedicht kun je ook heel snel kapot maken als je er een letterlijke lezing op plakt. Rutger Kopland schreef een gedicht over de voetballer Abe Lenstra. Het gaat over voetbal, maar het is ook een vader-zoongedicht; het verwoordt een zekere weemoed naar een voorbije tijd, zonder dat het kitscherig nostalgisch wordt. Het heeft ook een religieus element. Het doelpunt dat Kopland beschrijft heeft iets van een wonder, waarbij Abe Lenstra vanuit het niets opeens opduikt. Het laatste woord van het gedicht is ‘Abe’, maar in je hoofd zingt mee ‘Amen’.

Abe Lenstra

We stonden bij Achilles, het regende en woei,
in een geur van sigaren, nat gras en natte mannen,

het gromde en stampvoette om ons heen,
voetbal was oorlog, toen al.

Vader, weet je nog hoe het even doodstil werd,
de bal kwam, hij kwam uit de grauwe lucht
en woei voor het doel,

niemand had gezien dat hij daar stond.

Weet je nog hoe hij toen even met zijn hoofd knikte,
bijna ootmoedig, bijna verlegen, bijna verontschuldigend.

We hadden verloren voor we het wisten. Abe.

‘Ja,’ zei een collega van me, ‘je kunt wel zien dat Kopland geen verstand van voetbal had, want dit is zuiver buitenspel.’ De VAR van de werkelijkheid maakt alle poëzie stuk.

Coen Peppelenbos

(foto: Heerenveen tegen Enschedese Boys 3-2, Abe Lenstra doelpunt, 1950, Noske, J.D. / Anefo, CC0)

8

Reacties