Beleefdheid in een krankzinnige wereld

Mooi dat je op je 85ste een bundel publiceert met de titel Vormen van gekte. Judith Herzberg wil nog steeds ‘de gêne van te hoge woorden’ vermijden. Het is haar altijd goed gelukt. Wat ze ook wil, is begrijpen hoe de wereld reilt en zeilt, ook al weet ze dat dat nooit lukt. Doen we wel genoeg?

Terwijl

Terwijl je doen doet
stapelt zich
genadeloos
het ongedane

‘Doen doet’ is in zijn ongrammaticaliteit een passende formulering voor het hulpeloze: we zijn met van alles bezig, maar vaak ineffectief of ongericht. We zouden efficiënter moeten doen wat gedaan moet worden en dat is nogal wat.

In het tweede gedicht van de bundel wordt de ik en ons laksheid verweten en gezien de actualiteit lijkt dat terecht. Maar wat moeten we doen? In opstand komen? Vechten? Een president doodschieten? Of vergroten we daarmee de problematiek? (‘Het geen / vuist willen / maken / vereent’)

Rijm

Vind dit veel te vrijblijvend
terwijl ik zo hartstochtelijk wil bewijzen –
sta me nog even bij help me
de gêne van te hoge woorden
te vermijden help me te helpen
doen begrijpen. Onvrijheid dreigt
concreet. Mijn overhaaste hartslag
blijft mij, dus ons, laksheid
verwijten. Mij, die in de tijd
herkent wat was, toen,
aan den lijve

Rijm is gelijkheid van klank. Hier valt de herhaling van de ij-klank op: een schrijnend geluid. Een gedicht schrijven… helpt dat? Moet ik wel subtiel aanduiden waar het om gaat? Moeten we elkaar niet wakker schoppen tot we een geweten hebben? ‘Onvrijheid dreigt’; dat is al gevaarlijk genoeg, maar de dichteres voegt er aan toe: ‘concreet’. De lezer denkt aan verschillende presidenten die de vrijheid bedreigen en als er iemand is die een zintuig heeft moeten ontwikkelen om fascistoïde of fascistisch gevaar te herkennen is het Judith Herzberg.

De stijl van de gedichten kennen we, maar is toch steeds weer verrassend en dwingt tot herlezen en nog eens. We herkennen het aarzelende, het weglaten van zinsdelen, het mijmerend zich begeven op tussenpaden en dan toch weer uitkomen op de hoofdweg. Hoe zit het in het volgende gedicht met voorkant en achterkant en wat staat daar en waarom wint deze kant?

Brief

Neem ik de blanco achterkant van informatie –
dat zeg ik zo omdat geleerd dat brief nooit
mag beginnen met het woordje ik , neem ik
die achterkant, dan dwingt die vorm me dan
te zeggen. Neem ik, dan – etc. En dat terwijl
wie me dat oplegde, die politesse, die norm
iets ernstigers heeft overleefd dan brief te krijgen
die met het woordje ik begint. Of ik hem stuur
of in een la bewaar weet ik nog niet,
maar zeker is dat wat de achterkant
vermeldt, het wint van deze, op den duur.

Als ze niet had geleerd etc. dan zou ze beginnen met: ‘Ik neem de blanco achterkant van informatie’. Uit zuinigheid? De grammatica dwingt door de inversie te vervolgen met ‘dan’. Wie legde haar die beleefdheid op? We mogen veronderstellen haar vader, die iets ernstigers heeft overleefd, Bergen-Belsen. Waar hebben we het over? Terug naar de brief op de achterkant van een formulier. Wordt de brief verstuurd of gaat deze in een la. Wat is nu de achterkant? De achterkant, kun je denken, is de voorkant geworden: daarop staat de brief geschreven, bijvoorbeeld een brief aan haar vader (die overleed in 1989). De oorspronkelijke achterkant van het formulier met informatie wint het van de oorspronkelijke voorkant, omdat de informatie van tijdelijke aard is, maar de inhoud van de brief altijd blijft gelden.

Beleefdheid is een vorm van gekte, liefde ook. Veel gedichten in de bundel gaan begrijpelijkerwijs over de oorlog en over het voorbijgaande leven. De ik heeft geleerd dat vriendschap uiteindelijk meer kan zijn dan liefde:

Tastbaar

Niet alleen terwijl
maar vooral achteraf
is vriendschap zoveel meer
dan liefde als die was

Remco Ekkers

Judith Herzberg – Vormen van gekte. De Harmonie, Amsterdam. 64 blz. € 17,50.

2