Mystiek proza

Het ligt voor de hand te stellen dat de taal in Jon Fosse’s Melancholie I (1995) en II (1996) de verwarde geestelijke gesteldheid van de hoofdfiguren uitdrukt. In Melancholie I wordt de lezer grotendeels meegevoerd in de bewustzijnsstroom van de Noorse landschapsschilder Lars Hertervig (1830-1902), zowel aan de vooravond van een zenuwinzinking, als in het gesticht waar hij later anderhalf jaar zou verblijven. In Melancholie II vindt de lezer zich terug in het dementerende hoofd van Lars’ zus Oline, kort na de dood van haar broer. De constante herhalingen, de manier waarop gedachten heen- en weerspringen tussen verschillende, niet zelden tegengestelde interpretaties van de werkelijkheid, de verwarrende manier waarop herinneringen zich in het nu mengen; dat alles past in een interpretatie waarin de taal niet slechts wordt gebruikt om de hoofdfiguren te beschrijven, maar als ‘stream of consciousness’ de vorm aanneemt van hun verwarde bewustzijn zelf, om ons daarin mee te nemen.

Toch doet dit tekort aan de suggestieve kracht die schuilt in Fosse’s stijl, een stijl die we ook terugzien in het recentere, vorig jaar verschenen De andere naam. De hoofdfiguur in die roman, Asle, lijkt weliswaar ook geen bijzonder gebalanceerde geest te hebben, maar hij is er toch ook weer niet aan toe zoals Lars en Oline – al bevat De andere naam pas de eerste twee van in totaal zeven delen, en is het nog afwachten wat we verderop zullen leren over Asle. Fosse’s stijl biedt meer dan de uitdrukking van een mentale gesteldheid. De constante herhalingen in soms lange zinnen – overigens zonder ingewikkeld van constructie te worden – maken dat Fosse de naam heeft moeilijk leesbaar te zijn, terwijl de gekozen bewoordingen vrij simpel zijn, de hele wijze van uitdrukken iets basaals heeft. Inderdaad kan dit proza, dat vaak pagina’s lang bij een fenomeen, soms slechts een detail blijft hangen weerbarstig zijn; het komt maar moeizaam vooruit en heeft een zeker talmend karakter. Toch kan de lezer, eenmaal de juiste leeshouding gevonden, ook meegevoerd worden door deze stijl; het ritme van de repetitie kan een haast hypnotiserend mantra vormen dat juist in de herhaling een suggestie geeft van wat er niet kan worden gezegd. Alsof de taal in cirkels draait om een middelpunt dat zich niet laat uitdrukken.

Dat neemt niet weg dat Fosse’s proza zich uitstekend leent om de mentale verwarring van zijn personages te weergeven. In het eerste deel van Melancholie I volgen we Lars tijdens zijn verblijf in Düsseldorf, waar hij aan de kunstacademie studeert. Fosse maakt ons hier deelgenoot van de hevige vertwijfeling, waanbeelden en paranoia van Lars. Zo vreest hij het ene moment het oordeel van zijn leermeester over een van zijn schilderijen, het volgende moment beschouwt hij zichzelf als een van de weinige schilders die daadwerkelijk kunnen schilderen; zijn medestudenten noemt hij consequent ‘de schilders die niet kunnen schilderen’. Hij verdwaalt bij tijd en wijle in zijn herinneringen, beeldt zich in dat zijn vader en jonge zusje bij hem in de kamer staan, spreekt ook met ze, en wordt met enige regelmaat overvallen door een soort paniekaanvallen waarin ‘de zwarte en witte kleren’ op hem af komen. Maar wat vooral telkens terugkomt in Lars’ bewustzijn, als het brandpunt van zijn gedachten, is Helene, de dochter van zijn hospita.

Al vroeg in het boek worden we deel van wat misschien wel de allesbepalende ervaring voor Lars is, wanneer hij zich betoverd weet door het licht dat hij in Helene’s ogen ziet. Het is een bijna mystieke ervaring waarin hij zich omsloten voelt door dat licht, ‘en in dat licht werd hij een ander dan hij was, was hij niet langer Lars uit Hattarvåg, hij werd een ander, al zijn onrust, al zijn angsten, alles wat hij miste en wat altijd als onrust in hem aanwezig was, alles waar hij naar verlangde werd vervuld door het licht uit Helene Winckelmanns ogen en hij werd rustig, vervuld’. Het is dit moment waarop Lars beseft ‘dat hij ergens staat wat zijn schilderijen zoeken’. De suggestie lijkt dat deze ervaring kan worden geassocieerd met Lars’ achtergrond als quaker: quakers geloven dat in ieder mens een innerlijk licht brandt, als een deel van God. Voor Lars wordt Helene zo de belofte van de vervulling van zijn streven, zijn gemis:

Ik loop. Ik loop naar je toe. Ik kan niet anders, ik kan alleen maar een beweging naar jou toe zijn, of je er bent, of niet. Alles wat ik ben, is een beweging naar jou. Een beweging, een draai, naar jou. Ik ben niets anders dan jij, dan jij die er niet bent. En precies daar, in wat ik niet ben, in wat op jou gericht is, precies daar, in wat er misschien niet is, wat niet meer dan een draai is, een beweging, precies daar ben ik in alles wat ik schilder en zie.

Wanneer Lars uit zijn kamer wordt gezet, en hij iedere toegang tot Helene dreigt te verliezen, wordt hij gekweld door hevige twijfels aan haar liefde: wanneer hij ervan overtuigd is dat ze van hem houdt volgt vrijwel onmiddellijk de gedachte dat zij het is die hem uit huis wilde hebben, zodat ze ongehinderd aan haar oom kan zitten, die nogal vaak over de vloer komt. Verlangen, onrust en een innerlijke stem – opnieuw Helene – drijven Lars een aantal keer heen en weer tussen zijn kamer en het vaste kunstenaarscafé, waar dit alles culmineert in een pijnlijke scène waarin de spot wordt gedreven met Lars’ liefde door hem op een dwaalspoor te brengen.

Zonder nadere toelichting treffen we Lars in het tweede deel van Melancholie I aan in een gesticht – zijn biografie leert dat hij de tussenliggende jaren heeft doorgebracht in Stavanger, waar hij ook is opgegroeid. Hij lijkt er niet veel beter aan toe te zijn: obsessief masturberend, bij herhaling uitroepend dat alle vrouwen hoeren zijn, dat weliswaar ‘niet alle schilders hoeven gedood te worden’, maar toch wel een deel daarvan – hij is nog altijd even verward, maar harder, duisterder. Toch zijn er nog altijd de gedachten aan Helene, en het verlangen naar het licht: ‘En ik moet schilderen, als ik niet kan schilderen is er niets. Geen licht. Dan is er niets.’

De beschreven handelingen en gebeurtenissen in beide boeken zijn minimaal, en telkens volgen we de personages gedurende een dag – vermoedelijk zelfs gedurende enkele uren. Het eerste deel van Melancholie I – het merendeel van het boek – bestaat in grote lijnen uit niet veel meer dan Lars die uit zijn kamer wordt gezet, naar het café gaat, weer teruggaat naar zijn kamer, opnieuw wordt weggestuurd en weer naar het café gaat, waarna hij nogmaals probeert naar zijn kamer te gaan maar wederom op straat wordt gezet. Dit heen en weer gaan krijgt een echo in Melancholie II. Hier betreden we Oline’s bewustzijn wanneer zij vanaf zee, waar ze vis heeft gehaald, omhoog richting huis loopt. Als dieren kans hebben gezien de vis aan te vreten, ziet ze zich genoodzaakt terug naar zee te gaan om opnieuw vis te halen, waarna ze opnieuw de zware weg naar huis moet gaan.

Oline is een oude vrouw. Ze is slecht ter been – de gang tussen zee en huis is een ware kwelling voor haar voeten -, incontinent en vooral dementerend:

[…] nee ze is volstrekt niet meer zoals vroeger nu, nee, ze is alles vergeten, zo staat het er nu voor, ze is alles vergeten, alles, ze heeft een geheugen als een zeef, zoals ze zeggen, alleen van haar jeugd kan ze zich iets herinneren, maar dat herinnert ze zich trouwens alsof het net gebeurd is, denkt Oline […]

Inderdaad verliest Oline zich, net als haar broer in Melancholie I, in herinneringen die haar levensecht voorkomen – die zich als het ware voor het hier en nu schuiven. Veel van die herinneringen betreffen het leven met Lars. Zo leren we Lars hier kennen vanuit het perspectief van een ander, een ander die hem bovendien zijn hele leven heeft gekend. Uit die herinneringen blijkt dat Lars altijd al ‘een aparte’ is geweest. Oline herinnert zich hoe Lars het als jongen soms op een lopen zetten en urenlang kon wegblijven. Als ze hem op een dag besluit te volgen, laat hij haar houtskooltekeningen zien die hij op stukjes drijfhout maakt, zijn eerste artistieke werken:

En ik kijk naar de tekening van onze bergen en onze boot en ik zie dat de tekening erg lijkt op Lars als hij zich zo voelt, natuurlijk lijkt de tekening op onze bergen en onze boot maar verder lijkt die vooral op Lars zoals hij af en toe is. Ik vind het wonderlijk om te zien hoe de tekeningen aan Lars doen denken wanneer hij zich zo voelt. Ze zijn zwart op dezelfde manier waarop Lars zwart is. De duisternis is dezelfde. Het is een duisternis die niet dood is, maar die straalt, een stralend duister, als het ware.

De werkjes doen Oline denken aan Lars’ raadselachtige buien, waarbij zijn bruine ogen ‘donker worden en dan komt er iets van die zwarte glans in zijn ogen.’ Anders dan het licht in de ogen van Helene, maar toch een glans, een stralen.

Het voornaamste verlangen van Oline lijkt de dood te zijn. Zich welbewust van haar ouderdom en zwakheden snakt ze naar haar einde, naar verlossing. Dit staat in schril contrast tot haar feitelijke handelingen in het boek, die zich beperken tot het halen van eten en het bezoeken van het ‘secreet’. Het is het leven in zijn meest kale vorm. Dit contrast wordt des te schrijnender wanneer Oline door haar schoonzus bij haar broer Sivert wordt geroepen, die op zijn sterfbed om haar heeft gevraagd. Ze zegt toe zo gauw mogelijk te komen, maar voor ze zover is vergeet ze het alweer – wanneer ze met haar verstand bij het heden is, zijn de vis en op tijd het toilet bereiken het enige wat haar bezighoudt.

Melancholie I en II vormen tezamen een indrukwekkend tweeluik over vertwijfeling en verlossing. Fosse weet ons op overtuigende wijze mee te nemen in de verwarde beleveniswereld van mentaal wankele figuren. Maar hij gaat verder: zijn proza krijgt in de ritmische herhaling een suggestieve kracht, iets mystieks, bezwerend haast, waarin het ons iets lijkt te willen laten zien wat zich niet laat uitdrukken. Misschien is dit wat Lars in de ogen van Helene zag, en wat Oline in de ogen van Lars zag, en waar de melancholische blik van de kunstenaar verlangend naar zoekt. In het korte, maar prachtige derde deel van Melancholie I zien we de schrijver Vidme, die op de dag dat hij zou beginnen aan een roman over Lars Hertervig in een opwelling een afspraak maakt bij een dominee. Hij meent met zijn schrijven een bijzondere, belangrijke ervaring te hebben gehad, iets wat hij alleen met veel tegenzin – hij heeft de kerk immers allang verlaten – ‘een glimp van het goddelijke’ noemt. Vol schroom gaat hij op pad en gedurende de hele onderneming lijkt Vidme zich belachelijk te voelen. Bovendien blijkt de dominee niet de oude, wijze man die Vidme voor zich zag, maar een jonge vrouw. De ontmoeting lijkt op een mislukking uit te lopen – Vidme durft zich niet uit te spreken, de dominee raadt hem af bij de kerk te komen omdat hij een ‘religieuze mysticus’ is – maar Vidme maakt het iets duidelijk: hij moet schrijven. ‘Nu moge God hem genadig zijn, zodat hij kan schrijven.’

Remco Nieberg

Jon Fosse – Melancholie I. Vertaald door Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven. Oevers, Zaandam. 320 blz. € 19,95. Melancholie II Vertaald door Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven. Oevers, Zaandam. 136 blz. € 18,95.

Lees ook deze recensie van Melancholie I door Koen Schouwenburg

4

Reacties