Zowel vlees als vis in opmerkelijke verhalenbundel

Begeerte heeft iets verontrustends: Van Dale definieert het als een ‘levendig verlangen naar iets’. Bij de debuterende schrijfster Manon Uphoff (33) gaat dat ‘levendig verlangen’ vaak gepaard met het verlies van zelfbeheersing en met het zich begeven in riskante situaties, des te verontrustender waar het gaat om meisjes van een jaar of vijftien. Wat nog het meest verontrust in deze verhalen is niet dat de jonge meisjes het gevaar niet kennen en het dus blind tegemoet gaan, nee, het is juist het feit dat ze wéten wat ze doen. De weg naar het begeerde leidt langs ingecalculeerde valkuilen.

De eerste vijf verhalen van Begeerte gaan over meisjes aan gene zijde van de volwassenheid, meisjes die ernaar hongeren om vrouw te zijn — ook al geven moeders, tantes en oudere zussen niet bepaald een begerenswaardig voorbeeld. In het tweede deel van het boek zijn het volwassenen die de hoofdrollen spelen; deze verhalen — ook vijf in getal — vormen als het ware de spiegel van het eerste deel.

Het decor waartegen Uphoff haar verhalen situeert, doet al snel vertrouwd aan. In ‘Palingen en preken’ woont de ik-figuur schuin tegenover een viswinkel en een slagerij. ‘Weduwe Kraan van de Viswinkel en Slager Steeman, die in het pand naast haar zat, hadden een hekel aan elkaar.’ In het verhaal ‘Vlees’ is de vader slager: ‘De koperen kroonluchter trilde en zwaaide als hij van achterkamer naar voorkamer liep, zijn neus tegen de ruiten drukte en de visvrouw aan de overkant verwenste.  ”Waar vlees is, kan geen vis zijn.” Hij noemde haar de Walgelijke Morene.’

In ‘De dwerg’ is de vader van de zestienjarige Filigonda juist een man die ‘moe getreiterd thuiskwam, de geur van schelvis in zijn haar’. Hij is trouwens al dood in dit verhaal: van een ladder gevallen, net als de man van mevrouw Kraan.

Verder wórdt in het eerste deel een paar keer gerefereerd aan verhalen en sprookjes: in het tweede deel begint het verhaal Poep zo: ‘Er was eens een aardige, lange man die heel arm was en nooit veel te besteden had. Het is een bizar sprookje, net zo bizar als het verhaal dat tante Lucy haar nichtje Maria vertelt. Het verklaart waarom haar vader, de slager, met zijn linkerbeen sleept. Zo verandert telkens het perspectief, maar blijven de verhalen onderling sterk met elkaar verbonden. Dit, gevoegd bij het feit dat Manon Uphoff met een bijna Biesheuveliaanse ongeremdheid vertellen kan, maakt Begeerte tot een sterk debuut dat levendig doet verlangen naar meer.

In het titelverhaal laat een vijftienjarig meisje zich in een disco oppikken door een ‘oosters aandoende man’ die op een slaapzaal vol met lotgenoten blijkt te wonen. In zijn bed, achter een zwart gordijn, ontmaagdt hij haar. Zij vindt kennelijk dat daar de tijd voor gekomen is. (Nóg zo’n spiegeleffect: zij vraagt de man: ‘Ben je al lang in Nederland?’ In ‘De Lotus’ vraagt een vrouw aan een Japanner: ‘Je bent al lang in Nederland?’).

De dochter van de slager is twaalf als ze tegenover de man staat ‘waar de meiden in ’t geniep over spraken. Die ze De Hazelaar noemden.’ Dit al ter sprake gebrachte verhaal, dubbelzinnig ‘Vlees’ getiteld, gaat het meest zwanger van een allesverzengende begeerte:

Op de terugweg naar huis moest ik me vaak vastklemmen aan een lantaarnpaal om niet meegezogen te worden door de orkaan, die alleen voor mij door de stad trok en de opdracht had me mee te voeren naar mijn geheime achterland, waar De Hazelaar me met zijn kandijkleurige ogen aankeek.

Wij, als lezer, weten dat De Hazelaar de archetypische vieze man is, maar voor het meisje vertegenwoordigt hij iets anders: haar verlangen is onbestemd en geldt in elk geval niet de seksuele handeling waartoe hij haar met zachte hand dwingt. Het uitvoeren van die handeling vertegenwoordigt voor haar het geheim waarvan zij verlangt deel uit te maken.

In ‘Brand’ beschrijft de ’ik’ het machteloze leven van haar twintig jaar oudere zus (met een speciaal talent voor ’in alcohol gedrenkte mannen met openstaande bloezen en krullend borsthaar’) die zich in haar zucht om behaagd te worden laat vernederen en mishandelen. Jaren later laat de ’ik’ een minnaar uit: ‘Het was de eerste nacht dat ik het hart van mijn zus in mijn borst voelde kloppen.’

Dát bedoel ik met verontrustend.

Opmerkelijke verhalen.

Frank van Dijl

Manon Uphoff – Begeerte. Balans.

Deze recensie stond eerder in Algemeen Dagblad,  22 december 1995.

3

Reacties