Water en Weimar

‘Koekje, kopje thee, koningin Wilhelmina. Beurzen dicht, dijken open,’ zo typeerde Gerrit Komrij Hendrik Marsmans gedicht ‘Herinnering aan Holland’ in zijn bloemlezing Trou Moet Blycken. Marsman is na Annie M.G. Schmidt de bekendste Nederlandse dichter. De regels

Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hoge pluimen
aan de einder staan;

klinken veel Nederlanders vertrouwd in de oren. Het uit 1936 stammende gedicht werd twintig jaar geleden tot ‘Gedicht van de eeuw’ gekozen. Het is qua klank (‘het scandeert als de wiedeweerga,’ aldus Komrij) en beeld zo krachtig en herkenbaar dat het het misschien ook wel het gedicht van de 21e eeuw kan schoppen.

Marsman is natuurlijk veel meer dan de dichter van ‘Herinnering aan Holland’. Voor wie de rijkdom van zijn werk wil (her)ontdekken, is er nu Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen 1916-1940. In deze uitgave, die is bezorgd door H.T.M. van Vliet, staan alle gebundelde, verspreid gepubliceerde en nagelaten gedichten van Marsman. Van Vliets indeling wijkt af van de in 1938 door Marsman gedicteerde rangschikking en selectie van zijn gedichten. Twee jaar voor zijn dood bepaalde de dichter dat de uitgave van zijn verzamelde gedichten slechts uit een door hem bepaalde keuze mocht bestaan.

Van Vliet laat Marsman niet over het graf heen regeren. Ik die bij sterren sliep – de regel is afkomstig uit het slotgedicht uit Marsmans laatste bundel Tempel en kruis (1940) – bestaat uit de gedichten uit de uitgegeven bundels van Marsman, zijn ongebundelde en ruim 70 nagelaten, niet eerder gepubliceerde gedichten. Daarnaast bevat de uitgave een uitgebreid nawoord, een verantwoording, aantekeningen, een bibliografie en een register van titels en beginregels.

Tussen de drie nagelaten gedichten uit de jaren 1935-1940 valt er één meteen op, een titelloos kwintijn uit 1939 dat onverholen kritiek bevat op de steun van het Vaticaan aan het fascisme en Franco. Het gedicht was bedoeld voor Tempel en kruis, Marsmans laatste bundel, maar werd daar niet in opgenomen omdat de dichter volgens een brief die hij op 22 oktober 1939 aan mecenas en jurist René Rademacher Schorer schreef, vreesde dat ‘de katholieken zich erdoor beleedigd kunnen achten, en op strafvervolging aandringen.’

Geen schurk, die niet bad in zijn hart
O, God, sla de Paus aan het kruis
Laat hem hangen met het gespuis
van roede en hakenkruis
dat zijn goed en zege had.

Marsman, begonnen als vitalistisch dichter, zag zelf iets in de strenge hiërarchie van de rooms-katholieke kerk en in het fascisme. Hij was gefascineerd door Mussolini en kon zich voorstellen dat hij ‘in een fascistisch front’ zou sneuvelen, zei hij in 1928 in een interview met Albert Kuyle in De Gemeenschap, een rooms-katholiek weekblad waar een aantal fascistische redacteuren werkte. Een uitnodiging van zijn vriend Erich Wichman om redacteur te worden van het fascistische weekblad De Bezem sloeg hij af. Toch kun je volgens Marsman-biograaf Jaap Goedegebuure zeggen dat Marsman ‘een bepaalde ideaalconceptie van het fascisme nooit ontrouw geworden’ is. In zijn onvoltooide roman De twee vrienden schreef Marsman: ‘In mijn hart ben ik veel meer fascist dan honderd fascisten bij elkaar vooral sinds het fascisme het “geloof” is geworden van de burger en geconsolideerd tot de politieke opinie van de deftige heerensociëteit.’ Het Duitse nationaalsocialisme keurde hij echter af. In juni 1940 kwam Marsman om toen het schip waarmee hij voor de Duitse bezetters naar Engeland vluchtte explodeerde.

Ik die bij sterren sliep bevat ook Marsmans eerste gedichten uit 1916, die zijn bewaard door zijn schoolvriend Arthur Lehning (1899-2000). In 1917 schonk Marsman Lehning voor zijn 18e verjaardag een klein notitieboekje waarin hij onder de titel Sprokkelingen 31 gedichten had opgeschreven. Het was nooit de bedoeling deze bundel te publiceren. De jonge Marsman dichtte traditioneel en was duidelijk door de Tachtigers beïnvloed. Vooral Hélène Swarth bewonderde hij. Toch zijn in sommige jeugdgedichten het zoekende en de kosmische beeldspraak, elementen die Marsmans latere werk kenmerken, al te herkennen.

Zwervensmoede (1916)

Vol weemoed staar ik in het hopeloos verschiet,
waarheen de wolken jagen, in zwarte vlucht;
ook ik moet voort, terwijl ik zucht,
want ’t is al bittere smart, wat mij de toekomst biedt.
Ik volg de wolken in hun wilde vaart,
– hun drijver zweept ze voort,
Hij kent geen mededogen –
met lomen tred en droeve, doffe ogen,
in mijn ziel woedt ’n storm die nimmermeer bedaart.

De levenslust houdt zich schuil in de storm die maar niet wil gaan liggen. De dichter van ‘Lex barbarorum’ uit Porta Nigra (1934), die alles wat ziek en zwak is eigenhandig uit zijn lichaam wil wegsnijden omdat hij alleen in het leven gelooft en die in dezelfde bundel de hele wereld toeschreeuwt dat hij ‘groots en meeslepend’ wil leven, is nog niet te herkennen in de Marsman van Sprokkelingen.

De volledigheid van deze uitgave – Van Vliet begon al in 1985 met verzamelen van materiaal – maakt haar zo waardevol. Wie wil kan de volledige Marsman leren kennen of de al bekende Marsman op een andere manier lezen. Ik werd verrast door de Marsman van de kleinere woorden. De gedichten waarin het lyrische ik met grote stappen door het heelal stampt en zon en zee laat bliksemen vond ik al mooi. Eenvoudiger gedichten als ‘Berlijn’ en ‘Weimar’ las ik voor het eerst zorgvuldig. In ‘Berlijn’, uit Paradise regained (1927), brengt Marsman het smoezelige van de miljoenenstad in negen verzen tot leven.

De morgenlucht is een bezoedeld kleed
een bladzij met een ezelsoor
een vlek

de stad
een half ontverfde vrouw

maar schokkend steigert ze den hemel in
als een blauw paard van Marc in ’t luchtgareel

Berlijn

de zon is geel

Blauw en geel zijn de kleuren die domineren op een bekend schilderij met paarden van Franz Marc, die samen met Kandinsky in 1911 in München de expressionistische kunstenaarsbeweging Der Blaue Reiter oprichtte. In de jaren twintig ging Der Blaue Reiter in Weimar verder onder de naam Die Blaue Vier, een kunstenaarsgroep die deel uitmaakte van Bauhaus.

In ‘Weimar’, de stad van Bauhaus, Nietzsche, Bach, Goethe, Schiller en niet te vergeten de Weimarer Republik, schetst Marsman in negen woorden een angstaanjagend beeld van Duitsland in de jaren twintig van de vorige eeuw.

Dodenhuis
hoge vensters dromen hun vergaan

luikenkruis

vleermuisschaduwen
daaraan

De vrije geest is verduisterd, de vensters op de wereld zijn bijna gesloten. Het is verleidelijk om in luikenkruis ook hakenkruis te lezen, maar Marsman publiceerde ‘Weimar’ in 1923. Luikenkruis is overigens geen bestaand woord, maar een vinding van Marsman. Een kruisvenster bestaat wel, dat is een raam dat vroeger alleen door middel van luiken kon worden gesloten. Vleermuisschaduwen is een weesrijm. Vleermuizen staan in de westerse symboliek voor de dood en de nacht, in de antieke wereld voor de zielen van de doden. In de Odyssee van Homerus dolen de schaduwen van de doden krijsend als vleermuizen rond.

Marsmans vleermuisschaduwen hangen aan het luikenkruis. In het Duitse volksgeloof beschermde een aan de deur gespijkerde vleermuis tegen hekserij. Een schaduw beschermt niet. Het dodenhuis is een schaduwrijk voor de doden. De hoge vensters dromen niet over hun eigen vergaan, maar over het vergaan van mensen, want daar zou het in Duitsland op uitlopen.

Marie-José Klaver

H. Marsman – Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen 1916-1940. Bezorgd door H.T.M. van Vliet. Van Oorschot, Amsterdam. 764 blz. € 39,50.

4