Lieke Marsmans eigen kleine oorlog

Toen in 1990 de bundel Dochters van het donker van Marieke Jonkman verscheen, reageerde tenminste één recensent adequaat met de opmerking: ‘Meteen hulp bieden!’ Het waren dan ook gedichten vol angst en uitzichtloosheid met enkele niet mis te verstane verwijzingen naar een op handen zijnde zelfmoord. De bezorgde reactie van de recensent werd mede ingegeven door het feit dat de identiteit van de dichteres in nevelen gehuld bleef. Marieke Jonkman was een pseudoniem, zoveel was zeker. Maar van wie?

Groot was de deceptie toen een paar jaar en drie dichtbundels later bleek dat achter Marieke Jonkman geen ongelukkige jonge vrouw schuilging, maar een productieve dichter van middelbare leeftijd, Anton Ent. Poëzieminnend Nederland voelde zich bij de neus genomen. Over Marieke Jonkman werd sedertdien niet meer gesproken.
Het lijkt een beetje op de commotie rond Binjamin Wilkomirski, Auschwitz-overlevende en schrijver van het aangrijpende boek Brokstukken over zijn kampervaringen. Toen bleek dat hij dat hele kampverleden bij elkaar gefantaseerd had, waren de ontroering en het medeleven als bij toverslag verdwenen. Logisch? Misschien, maar hoe kan het dan dat proza en poëzie ons blijvend kunnen ontroeren, ook al weten wij dat die van het begin tot het eind gelogen zijn? Mag het wél als er ‘fictie’ op staat? Het is een vraag zonder antwoord. Voor mij is die vraag wel aanleiding om me in eerste instantie veiligheidshalve verre te houden van ‘het eigen verhaal van de schrijver’.

Dus als ik Lieke Marsman in kranteninterviews en onlangs nog op de radio hoor vertellen over haar angsten, dan probeer ik me daar om te beginnen zo goed mogelijk voor af te sluiten. Zeker als uit die gesprekken blijkt dat haar bundel De eerste letter min of meer de neerslag is van haar weg om de angst te boven te komen. Als het goed is worden de gedichten immers geen haar beter of slechter van die achtergrondkennis.
Lees, ter illustratie, eerst eens het slot van het gedicht ‘Poëzie’:

[…] Ik probeerde
de hele dag op het woord
‘Bastognekoeken’ te komen
en toen dat eindelijk lukte, bleef ik
gewoon op bed zitten. Poëzie
lijkt me vandaag een land
waar ik geen ticket naar toe
heb gekregen, een oude geliefde
van wie ik het nummer
nog niet uit mijn telefoon
durf te wissen, een ver eiland
vol pinguïns.

Dit zijn woorden die noch over Bastognekoeken, noch over Lieke Marsman gaan. Ze gaan over verlatenheid en onzekerheid en over de verlamming die daaruit volgt. Over het moment waarop je niets meer kunt. Ook jezelf troosten lukt niet meer. Over de angst om afscheid te nemen van iets wat er waarschijnlijk toch al niet meer is. En dat ik daarenboven ‘een ver eiland vol pinguïns’ een ereplaats mag geven in mijn verzameling fraaie definities van poëzie, is natuurlijk mooi meegenomen.
Het gedicht dat op ‘Poëzie’ volgt, heet ook ‘Poëzie’. Het geeft een ontroerend beeld van een leven zonder dichtkunst:

Toen ik de poëzie verloor
begon ik dingen te doen. Een vloer dweilen,
een kat verzorgen, niet langer de waarheid
in vers verhullen, maar een boek
gebruiken als onderzetter. Voor wat?

Iemand scheurde de lege zakken
uit mijn broek en vulde ze met alle grote woorden
die ze ooit had gehoord. Ik begreep
dat ze zouden smelten, zou ik ze
in de mond nemen, maar toch
stapelde ik boter op boter. IJzer

op ijzer. Misschien
is alles wat je ooit wilde schrijven
doodgegaan voordat je het je
kon herinneren, ongeborene,
die het voor gezien hield
door nooit haar ogen te openen.

Iets wat je niet kent, kun je natuurlijk ook niet missen. Maar als je de poëzie wel kent, ken je ook haar tekortkomingen: grote woorden, die hun betekenis verliezen (‘smelten’) zodra je ze in de mond neemt. Hier echoot Louis Paul Boons vaststelling ‘Ge zoudt liever een ander boek schrijven’ het gedicht binnen. Boon schreef dat in Mijn kleine oorlog, inmiddels zeventig(!) jaar geleden. Ook hij beklaagt zich daar over de Grote Literatuur die met mooie woorden nooit tot de kern van het leven kan doordringen. Niet voor niets gebruikte Hugo Brems diezelfde regel als titel voor zijn proloog in Altijd weer vogels die nesten beginnen, omdat hij hem exemplarisch vond voor de hele naoorlogse literatuur. De tijd van het failliet van de grote woorden. Het is eerder de kunst om met kleine woorden rakelings langs het leven te scheren. En dat lukt Lieke Marsman wonderwel:

Jezelf aan iemand geven heeft tot gevolg
dat jij diegene wil zijn: degene
die jou krijgt. Eenzaamheid is geen gevoel,

maar een serie handelingen: je hand
die zijn hand vastpakt, je hand
die haar schouder aanraakt, je hand
die daar een tijdje blijft liggen.

Wat is er anders nu?

Als jullie me niet met rust laten,
denk ik dat ik nog iets moet geven.

Zelden heb ik eenzaamheid kernachtiger zien beschrijven dan in dit gedicht dat bovendien de schrijnend verontschuldigende titel draagt ‘Ik neem niemand iets kwalijk’.
Veel recensenten lazen De eerste letter als het verslag van Marmans overwinning op de angst, geheel conform de interviews natuurlijk. Ik heb geen enkele reden om de ondervraagde dichteres niet te geloven. Maar ik wil me toch liever op de gedichten dan op de dichter concentreren. En dan is het maar de vraag hoe positief dit slot is: na een aantal opbeurende geruststellingen (‘oh, word maar niet bang van een / zich opnieuw aankondigende ochtend / die je mogelijk onbeantwoord lief laat hebben / want dat is geen duidelijk aanwijsbare reden / die ik overigens voor je weg wil nemen’), volgt de strofe:

het moeilijke aan ouder worden is niet
dat je steeds verdrietiger wordt
maar dat je steeds meer woorden krijgt
om je verdriet te beschrijven
en als je het kunt, moet je het doen
dat is waar
maar ik heb hier een fleecedekentje neergelegd
en ik leid je er hand in hand naar toe
en het is hier warm
en je bent hier veilig
oh

Mooie en misschien wel grote woorden, maar het zijn ook woorden die smelten als je ze in de mond neemt. En dat is een effect dat Marsman ons heel vilein onder de neus schuift. Want deze fraaie, geruststellende woorden krijgen de onverbiddelijke titel ‘Wiegeliedje voor wie alles moet’ mee. De troost van de poëzie is wederom gelogen. Hij sust ons in slaap, maar lost verder niets op.

Lieke Marsman toont zich in De eerste letter hiermee een betere volgeling van Boon dan zij wellicht ooit bedoelde te zijn. Net als de grote Vlaming presteert zij het om de tekortkomingen van de poëzie in grootse poëzie te beschrijven. Zoals Boon met Mijn kleine oorlog toch het onmogelijke geachte ‘grote boek over de oorlog’ schreef, zo schreef Marsman met De eerste letter mooie, maar niet in poëzie te vatten gedichten over de angst. Én over de dichtkunst.

Jan de Jong

Lieke Marsman – De eerste letter. Van Oorschot, Amsterdam. 64 blz. € 14,99.

Deze recensie stond eerder in Levende Talen Magazine 2014-4.