Dat kunnen Yra van Dijk en Marie-José Klaver in hun zak steken: CPNB-woordvoerder Job Jan Altena heeft de discussie over racisme en seksisme in jeugdboeken teruggebracht tot ‘domme kortzichtigheid’ en de opmerkingen over de inhoud van jeugdboeken die genomineerd worden voor de Jonge Jury gereduceerd tot de vraag of jongeren bepaalde boeken mogen lezen.

Je vraagt je af hoe mensen die pleiten voor meer lezen, zelf niet zo goed blijken te kunnen lezen. In hun uitgebreide artikel op De Nederlandse Boekengids verbieden Van Dijk en Klaver helemaal niets, maar ze stellen wel vragen bij de inhoud (en stijl) van de boeken. Wat leerlingen (en mensen in het algemeen) in hun vrije tijd lezen en waarderen moeten zij weten, maar het is de vraag of scholen (met Stichting Lezen als drijvende kracht) die boeken ook moeten propageren als ze een prijs hebben gewonnen.

Job Jan Altena reageert op een column van Marjolijn de Cocq in de lokale krant Het Parool.

Net in de week van Riley’s overlijden was er al een literair relletje na een opiniestuk in de Volkskrant waarin werd gesteld dat de Stichting Lezen met de Jonge Jurycampagne voor de onderbouw, waarbij leerlingen zelf hun winnende boek mogen kiezen, ‘schadelijke promotie van pulp in het onderwijs’ bedrijft. Want weer had bestsellerauteur Mel Wallis de Vries gewonnen, die met haar jeugdthrillers de afgelopen tien jaar zeven keer met de bekroning aan de haal ging.
Boeken die worden gelezen.

In een tijdperk van ontlezing.

Foei!

Ook hier die reductie van de discussie, zonder in te gaan op de argumenten. (Los daarvan won Mel Wallis de Vries dit jaar geen prijs, maar werd het stuk in de Volkskrant geplaatst voorafgaand aan de prijsuitreiking. In het stuk op De Nederlandse Boekengids staat nog expliciet dat ze tot ‘door Stichting Lezen benoemd is tot ‘ambassadeur’ van de prijs’ en dat de boeken vooral klonen lijken te zijn van Mel Wallis de Vries.)

En ondanks haar pleidooi voor Wallis de Vries en Riley is De Cocq geen fan geworden van de Zeven zussen.

Ik heb deel een gelezen en me er goed mee vermaakt, al had ik toen wel genoeg gehad. […] Gelukkig zijn er nog zoveel letters meer om te ontdekken.

Die laatste zin van De Cocq is in wezen de meest beknopte samenvatting van het stuk van Van Dijk en Klaver, maar misschien vindt Altena die opmerking ook behoren bij de ‘domme kortzichtigheid van types die zich juist slim proberen voor te doen komen.’

1