Strak gecomponeerde Odyssee van een verwerkingsproces

Harlekijn is de debuutroman van Robert Jan Heyning (1957); ooit eigenaar van een verhuisbedrijf met bakfiets, thans speelt en schrijft hij toneel en is directeur van zijn eigen naamgevingsbureau.

Een naamloze ik-figuur is aanwezig geweest bij de euthanasie van zijn goede vriend Nils. Vertwijfeld komt hij tot de ontdekking dat hij de emoties rond de dood van zijn broer Adriaan – een paar maanden eerder – pas voelt, als hij zijn vriend uitgeteerd op bed ziet liggen. De dood van zijn vriend lijkt de katalysator te zijn voor het openrijten van oude wonden en het blootleggen van herinneringen. Hij besluit voor een paar weken af te zakken naar Luovo, Zuid Italië. Tijdens de reis probeert hij te achterhalen waar zijn schuldgevoel vandaan komt en zoekt hij naar het antwoord op de brandende vraag of hij wel voldoende oog heeft gehad voor zijn broer, die zijn eigen leven op zo’n bijzondere manier inkleurde. Is hij wel duidelijk geweest in de boodschap dat hij van Adriaan hield? ‘Als je je niet bewust bent van liefde, kan er dan liefde zijn?’ Wilde zijn broer überhaupt wel begrepen worden?

In gedachten gaat de protagonist terug in de tijd, reconstrueert het verleden, verwondert zich. Door het beschrijven van allerlei anekdotes uit zijn jeugd krijgt niet alleen de lezer langzamerhand een beeld van Adriaan, maar ook lukt het de verteller zelf steeds beter om de puzzelstukjes te ordenen en op de juiste plaats te leggen, waardoor hij eindelijk zijn verdriet kan onderkennen. Het is een reis die louterend zou moeten zijn en leiden naar acceptatie en oprecht rouwen. Vanuit het perspectief van de ik-figuur ontrolt het verhaal zich als één lange innerlijke monoloog. De dialogen die zich in zijn geheugen hebben genesteld zijn zonder interpunctie.

Het verhaal geeft in eerste instantie de indruk van de hak op de tak te springen: heen en weer in tijd, plaats, gebeurtenissen. De niet-chronologische opbouw houdt de spanningsboog hoog, met name door het gebruiken van voorafschaduwing, die verwijst naar gebeurtenissen die later zullen plaatsvinden. Het is even wennen aan de schijnbaar incoherente, scenische synthese, die een opmaat blijkt te zijn naar het overlijden van zijn jongere broer, die hij misschien teveel in bescherming wilde nemen.

Terwijl de onroerendgoedpooier uit zijn stoel komt grijp ik met twee handen zijn nek en beuk hem met zijn gezicht een paar keer in rouleau van haas en konijn in peterseliejus en ruk hem achterover van zijn stoel. Op het tafellaken en het fijne bloesje van zijn veel te jonge vriendin zitten spetters bloed en jus. De vrouw begint te gillen en ligt een seconde later als een lappenpop met het servetje nog in haar hand in het tochtgordijn bij de deur. Mijn broer trekt me naar buiten. Wegwezen, giechelt hij.

Wanneer ze begin twintig zijn vertelt Adriaan langs zijn neus weg dat hij kanker heeft – melanomen en naar alle waarschijnlijkheid ook botkanker en leukemie – om vervolgens op luchtige wijze over te gaan tot de orde van de dag. Op een later moment voegt hij daar nog aan toe dat hij tot de ontdekking is gekomen dat hij homoseksueel is; een bekentenis die hem beduidend minder gemakkelijk afgaat.

[…] in hem schuilde een groot en vernietigend geweld. Groter zelfs dan het mijne. Hij wist dat. Mijn broer begreep dingen die niemand anders kon begrijpen. Ik evenmin.
Adriaan kende zichzelf.

Dat hij zich ergerde aan het feit dat Adriaan leek te koketteren met zijn ziekte en die geraffineerd wist in te zetten, maakt hem onzeker: ‘als een loper waarmee hij elke deur kon openen die anders misschien gesloten bleef, zonder zich ooit echt te interesseren voor wat er al in die kamers leefde. Maar nooit heb ik me afgevraagd of er misschien iets onder die leugens verscholen zat, gekneveld op een donker plekje, hunkerend naar ruimte, warmte licht en lucht. Misschien waren het geen leugens en was ik het, die zich misleiden liet door de vorm.’

Omdat het toneelwerk spijtig genoeg te weinig in het laatje brengt, ontstaat er een ander idee. ‘Woordbedenker word ik. Ik bedenk namen voor nieuwe producten en bedrijven. InWoording, heet de onderneming.’ en samen met Adriaan zet hij het bedrijf op. Hun verschillende eigenschappen zorgen ervoor dat ze elkaar als partners goed aanvullen en werken als communicerende vaten.

Adriaan hoorde en zag en voelde dingen die hij alleen kon horen, zien en voelen.

De titel Harlekijn is een intertekstuele echo van Harlekinade, de autobiografische roman van Nabokov, en Arlecchino, de tragische paljas uit de Commedia dell’Arte, die zijn gezicht maar deels laat zien. Een in het Italië van de zeventiende eeuw populaire en improviserende wijze van toneelspelen, met een combinatie van serieuze en komische aspecten. ‘Bedenk de wereld! Bedenk de werkelijkheid!’ hadden de gevleugelde woorden van Adriaan kunnen zijn.

Heyning toont in deze diep gelaagde, compacte, doch zeer rijke roman, zijn brille door geen woord teveel te schrijven en de lezer de ruimte te geven om zelf beelden te vormen. In ontroerende scènes toont hij zijn kwetsbaarheid, een broos gevoel van onzekerheid, waardoor de lezer dicht op zijn huid blijft zitten. Maar de humor houdt het licht en hilarische taferelen nodigen regelmatig uit tot hardop lachen. Geestig zijn de zelfbedachte woorden – hij heeft niet voor niets een naamgevingsbureau –, zoals ‘ratelpraten’ en ‘bekapstokt’. Met veel zwier speelt hij met taal, nu eens geestig, dan weer vertederend of aangrijpend proza. Door gebruik te maken van humoristische overdrijvingen, krijgen de treurige en beladen scènes voldoende lucht en trapt de auteur niet in de val sentimenteel te worden. Een retegoed debuut dat hij herlezing weer een aantal nieuwe aanwijzingen blootgeeft.

Marjon Nooij

Robert Jan Heyning – Harlekijn. Oevers, Zaamdam. 184 blz. € 19,00.

2

Reacties