Brief aan A.L. Snijders

[Poste restante]

(Voorgelezen tijdens de literaire manifestatie Archipel, te Sint-Niklaas, waar wij beiden zouden aantreden, op 23 oktober 2021)

Hi A.L.,

Ik hoop dat deze brief je bereikt, want ik heb niet op waardige wijze afscheid van je kunnen nemen.
            Wij zijn meer dan twintig jaar bevriend geweest, heb ik uitgerekend, éénentwintig jaar en vier maanden, om precies te zijn. In februari 2000 bevonden wij ons in de VPRO Studio aan de Amstel, tijdens een uitzending van het programma Music Hall, waarin we allebei voorlazen. Na je optreden liep ik op je toe en sprak de profetische woorden: ‘Meneer Snijders, u heeft het helemaal.’ Diezelfde avond ontmoette ik ook Y. (jullie waren altijd samen) waarbij ik haar direct taxeerde als een ‘goud wijf’.

We hebben nogal wat samen gedaan, met voor mij als hoogtepunt de twee boekjes in cassette A.L. en L.H., in 2006 zo schitterend uitgegeven door stichting De Roos: 46 ZKV’s van jou en 44 brieven van mij, die nu ‘voor altijd’ bestaan. (Je weet dat ik soms naast zwartbloed misantroop ook als warmbloed romanticus poseer.)

In 2010 won je de Constantijn Huygensprijs en ik heb je hoge vlucht sedertdien met instemming en lichte afgunst gevolgd.

Je dood ten gevolge van een hartstilstand, een week na onze laatste e-mailwisseling, schreef ik toe aan je onvermogen om nee te zeggen. Het woord roofbouw wil ik vermijden. In je bericht klonk vermoeidheid door, uitputting eerder. Je klaagde dat je in de Boekenweek vijf keer had opgetreden en dat het nu genoeg was. Enige tijd voordien was je al gestopt met je column in de VPRO gids. Wel handhaafde je nog het voorlezen van een ZKV, op zondagochtend, voor radio 4, waarmee je wekelijks vele honderden weduwen door dat leegste deel van de week wist te helpen.

Het is ook fors misgegaan tussen ons, toen ik na het overlijden van Y. een wat al te grote solidariteit met haar ten toon spreidde en van je nieuwe echtgenote niets moest hebben. Maar een opmerking als: ‘Je bent met Y. getrouwd en dat ze dood is heeft daar niets mee te maken’, valt op den duur natuurlijk niet te verdedigen. Je antwoordde gevat: ‘Dag Lood, je hebt me met succes beledigd.’
             Einde vriendschap.

Maar nog juist bijtijds, een week voor je collaps, hebben we de banden toch weer kunnen aanhalen. ‘Zand erover’, schreef je wijs, na mijn deemoedige handreiking.
            Een wel heel ironisch antwoord, zoals zou blijken, al ben je dan gecremeerd.

Ik mis je deerlijk.

Lodewijk

(Deze brief werd eerder gepubliceerd in de rubriek ‘Hemelpost’ in het Winternummer van HP/De Tijd.)

12