De doem van Suriname

Een mooie ontwikkeling van de afgelopen jaren is de publicatie van romans van Nederlandstalige vrouwelijke schrijvers die enigszins in de vergetelheid waren geraakt. Een revolverschot bijvoorbeeld van de Vlaamse Virginie Loveling, of De vermaledijde vaders van de eveneens Vlaamse Monika van Paemel. Beide verschenen in een nieuwe uitgave van de Salamander Pockets. Ook Een coquette vrouw van de Nederlandse Carry van Bruggen kreeg dit jaar een nieuwe versie in deze reeks. Sturend in deze reeks, is het schrijverscollectief Fix Dit, dat aandacht vraagt voor meer diversiteit in de canon en de literaire wereld. Niet vanuit Fix Dit en ook niet in een Salamanderpocket maar wel in deze traditie, valt de nieuwe uitgave van Sarnami, hai/Suriname, ik ben van de Surinaamse Bea Vianen.  Een debuutroman uit 1969 die het waard is nieuwe lezers te krijgen.

Sarnami, hai vertelt het verhaal van het meisje Sita dat haar moeder op jonge leeftijd verliest en opgroeit bij haar zwijgende, autoritaire vader en haar jongere broertje Ata. Aanvankelijk is ze onzeker en stuurs maar ze kan goed leren en is meer geïnteresseerd in boeken dan wat de andere meisjes in haar klas allemaal over jongens te kletsen hebben. Langzamerhand gaat ze inzien wat ze wil: studeren. Dat lijkt allemaal niet heel bijzonder, maar Sita woont in het Paramaribo van de jaren vijftig van de vorige eeuw. Suriname is nog een kolonie van Nederland en in de multi-etnische maatschappij van creolen, Chinezen, Hindoestanen en Javanen heerst verdeeldheid en armoede en zijn tradities belangrijker dan individuele wensen. Zeker voor meisjes en vrouwen.

Je kunt er dus op wachten dat de jonge mannen beginnen te loeren en die lokroep van spanning toch ook Sita niet onberoerd laat. ‘De veranderingen in haar lichaam maken haar onrustig en prikkelbaar’. Thuis is het saai en haar vader kijkt niet naar haar om. Toch is ze bang dat ook zij ten prooi valt aan de woede van de vaders zoals ze dat zag bij haar beste vriendin Selinha, die slaag kreeg omdat ze met de verkeerde jongen omging. Hindoestanen en Mohammedanen gunnen elkaar het licht in de ogen niet en de jongen die zijn oog laat vallen op de creools-Hindoestaanse Sita, heet Islam. Hoe symbolisch wil je het hebben? Een spel van aantrekken en afstoten leidt onherroepelijk tot een verkrachting en zo belandt Sita precies waar de mannen haar willen hebben en waar zij zo graag ver weg van had willen blijven: zwanger.

Een uitweg lijkt er bijna niet in deze van somberte doortrokken samenleving vol armoede, ongewenste zwangerschappen en ongelukkige huwelijken. Vianen beschrijft het in een hoekige stijl met korte zinnen en harde woorden. Opvallend is daarnaast de bijna lyrische beschrijving van de natuur, de geluiden en de geuren van Suriname, die zo contrasteren met dat harde leven van de mensen en de haat en nijd onderling.

’s Avonds waait de wind het zweet van de lichamen. Geuren, parfum. Op bepaalde hoeken van de Saramaccastraat en de Kwattaweg is de lucht vervuld met de zoete geur van vuurrode, opengesneden watermeloenen. Watermeloenen te koop. Uit de erven stijgt rook op van gras. Muskieten en mampiera’s worden verdreven terwijl de zon ondergaat.

En:

Uit de hangalampoehagen hangen talrijke rode bloemlampionnen. In het water van de goot spartelen zwarte visjes met witte buiken. En waar zij niet zichtbaar zijn ligt het water bedekt met gras, dagoeblad en de dorre bladeren van de hagen en de bomen die daarachter groeien.

Maar ’s nachts is daar ook de jorkafowroe, ‘de witte nachtvogel, die blaast als een ziedende wilde kat en de doodsvloek over de huizen roept’.

Sita weet zich uiteindelijk met vallen en opstaan te ontworstelen uit haar benarde situatie maar betaalt daar wel een hoge prijs voor. Het verbindt haar rechtstreeks met de door haar zo vervloekte grootvader die Suriname verliet en terugging naar India toen zijn vrouw overleed. De doem van de familie is de doem van het land Suriname. ‘Ik ben Suriname’, zegt de titel. Sita kan symbool staan voor Suriname: als slachtoffer van etnische verdeeldheid door een kolonisator aangericht, verlangt zij naar vrijheid. Een vrijheid die meisjes in de benauwde christelijke milieus in Nederland in de jaren vijftig en later ook zochten.

Daarmee is dit bijzondere en pijnlijke coming of age-verhaal dus aan de ene kant herkenbaar voor veel Nederlandse lezers en geeft het aan de andere kant een blik op een vergelijkbare situatie in een ander land, dat gevormd is door toedoen van Nederland. Een goede manier dus, om je rekenschap te geven van een deel van je eigen geschiedenis. Ik zou bijna zeggen: verplichte kost in het literatuuronderwijs op de middelbare school.

Martijn Nicolaas

Bea Vianen – Sarnami, hai/Suriname, ik ben 7