Ik heb ’t gedaan, mama. Kom je snel terug?

Jos van Daanen (1959) studeerde Nederlands en Algemene Literatuurwetenschap. Zijn schrijverscarrière begon hij met het schrijven van maatschappelijk geëngageerde poëzie. Hij bracht twee dichtbundels en een novelle uit. Met Liefde is een onwoord heeft hij zijn romandebuut geschreven. Hierin trapt hij af met een moeder die het woord richt tot haar ongeboren kind; een relaas dat nogal onbehaaglijk aanvoelt en een opmaat is naar de spanningsboog die continu aanwezig blijft.

Hans slijt zijn dagen in een psychiatrisch ziekenhuis. Zijn kamer is sober, zijn deur op slot. Het verschil tussen goed en fout is voor hem niet altijd even gemakkelijk te begrijpen. Hij leert vooral te doen wat er van hem wordt verwacht, al uit zich dat voornamelijk in gewenst gedrag. ‘Een verbetering noemen ze dat hier.’ Op regelmatige tijden ‘kijken de ogen door een luikje mijn kamer in’, draait de sleutel in het slot en wordt Hans naar Bril gebracht, die met hem in gesprek gaat over zijn herinneringen en de moeilijkheden in zijn leven. De volwassen Hans kan zich soms nogal aandoenlijk uitten, is zeker niet dom, maar zijn kinderlijke logica zorgt voor grappige toetsen.

Wekelijks komt zijn zus Merle op bezoek. Zij zorgt ervoor dat er een familiecommode op zijn kamer wordt gezet. Tussen de spullen vindt Hans een dagboek dat van zijn moeder blijkt te zijn. De ontboezemingen daarin staan haaks op zijn herinneringen aan haar. Het is op zijn zachtst gezegd verwarrend voor Hans om te lezen dat haar zwangerschap van hem als gif in haar lichaam woekerde en dat ze het hem nog ‘betaald zou zetten’. Minutieus staat erin beschreven hoe ze de vleugeltjes uittrekt bij een gewonde koolmees. Dan vertelt zijn zus hem dat hijzelf ooit de kop van zijn kat heeft getrokken. Hij knikt plichtmatig, maar eigenlijk kan hij zich dat voorval niet meer goed herinneren.

Hans denkt vaak terug aan de verwarrende tijd toen hij zeven was. Zijn moeder belandde – door een verlamming van haar ademhalingsspieren – in een ijzeren long, waar ze de rest van haar leven in door zou moeten brengen; ergo, een uitzichtloos bestaan. Hij had niets verkeerd gedaan, daarvan was hij overtuigd. ‘Een daad van liefde, zo had hij het lang geleden in een helder moment genoemd.’ Omdat hij precies had gedaan wat zijn moeder hem had gevraagd, kón het niet anders dan een goede daad zijn, want ze wilde zo graag slapen.

Maar mama had me een keer uitgelegd dat het einde niet bestond omdat het woordje ‘einde’ automatisch een nieuw begin inluidde. Zonder begin had einde geen betekenis. Ze noemde ‘einde’ daarom een onwoord, zoals er meer van die onwoorden waren waarin ze zich gevangen voelde. Liefde bijvoorbeeld, dat niet zonder haat kon bestaan, goed niet zonder kwaad, een streling die we enkel betekenis wisten te geven omdat we wisten hoe een klap voelde. Nadat ik haar gezegd dat dat ik dat allemaal niet begreep, glimlachte ze en aaide me teder over mijn wang. We hebben een gevangenis gemaakt van verzonnen woorden, zei ze nog. En ik kon alleen maar fantaseren over de oneindige wijsheid waarover ze moest beschikken.

Zijn verblijf in de kliniek bestaat voornamelijk uit ledigheid, het trouw innemen van zijn medicatie, de gesprekken met zijn psych en het ombuigen van en inzicht krijgen in zijn gedrag, zodat er uiteindelijk kan worden toegewerkt naar de mogelijkheid om op weekendverlof te gaan; de bitterzoete kers op zijn taart waar hij zonder scrupules naar uitkijkt.

De personages Hans, Merle en hun vader Henk, – die ons ook ná zijn overlijden nog deelgenoot maakt van zijn hersenspinsels – komen als ‘vertellende’ of ‘belevende ik’ aan het woord. Een alwetende verteller doet het verleden van hun moeder uit de doeken en ook de sombere Bril kan zijn persoonlijke geschiedenis vertellen. Op die manier meanderen er meerdere verhaallijnen door elkaar en wordt het geleidelijk steeds duidelijker dat alle personages, ieder op zijn eigen manier, worstelen met hun demonen. Door het spelen met de verschillende verhaallijnen en de chronologie, komt er steeds een stukje informatie los vanuit een andere perspectief. Het is niet meteen duidelijk wie er geloofwaardig is, waardoor de spanning richting de climax listig wordt opgebouwd.

Een aandachtspuntje is dat Van Daanen zich op zeker moment (bladzijde 46/47) even verslikt in de vertelstructuur. In dat hoofdstuk ligt het ik-perspectief overduidelijk bij Hans, maar gaat het ineens over naar Merle, vervolgens verder als alwetende verteller en wordt dit hoofdstuk beëindigd vanuit het gezichtspunt van Merle.

Ondanks de diverse draadjes heeft de auteur het verhaal compact gehouden en heeft zich niet laten verleiden tot het toevoegen en uitkauwen van allerlei onnodige zijwegen. Hij weet de aandacht vast te houden en de lezer verscheidene keren op het verkeerde been te zetten. De broeierige spanning wordt goed gedoseerd opgebouwd richting een gruwelijke apotheose.

De hamvraag die gonst door het boek is: Wie heeft er nou eigenlijk een kronkel in de kop?

Marjon Nooij

Jos van Daanen – Liefde is een onwoord. In de Knipscheer, Haarlem. 218 blz. € 18,50.

1