Over het lijden van het volk

Als August Pieter van Groeningen de tijd van leven had gehad, zou hij onder de Tachtigers – hij was een generatiegenoot van Lodewijk van Deyssel, Arij Prins, Willem Kloos, Albert Verwey – een belangrijke en, door de aard van zijn werk, evenzeer unieke, plaats hebben ingenomen. Immers, Van Groeningen was degene die zich het meest expliciet uitsprak vóór het gewone volk; zijn doel was het ‘het publiek in kennis te stellen met hetgeen het volk, bewust of onbewust, lijdt’ (schrijft hij in een brief van 28 augustus 1888 aan Kloos). Hij deed, op zijn manier, minder aan literatuur dan aan sociaal werk, wat hem lijnrecht tegenover een deftig heer als Van Deyssel zette, voor wie, waarschijnlijk meer dan voor enig andere Tachtiger, gold: I’art pour I’art, kunst om de kunst.

Gezien zijn afkomst is de belangstelling die Van Groeningen voor de onderliggenden in de samenleving van de negéntiende eeuw had zeer wel te verklaren. Hij werd op 14 februari 1866 geboren in de bedelaarskolonie Ommerschans bij Ommen. Totdat zijn moeder drie jaar later trouwde en zij en haar man hem als hun wettig kind erkenden, droeg hij haar naam: Barendrecht. 

Van Groeningen werd onderwijzer aan een kosteloze school in Rotterdam en begon in de jaren 1887-’88 te schrijven, meestal onder de schuilnaam Willem van Oeveren. Door zelfstudie werd hij de Franse taal machtig: gretig verslond hij de werken van Zola, Hugo en Balzac en het was onder hun invloed dat hij besloot een tiendelige romancyclus te schrijven, Van alle tijden, waarin de geschiedenis van het lijden der mensheid zou worden vastgelegd. Dat de cyclus nooit verder gekomen is dan het eerste deel, komt doordat Van Groeningen heel jong overleed: twee dagen voordat hij achtentwintig zou worden. 

Het bij G. A. van Oorschot verschenen Volledig werk, dat behalve de vruchten van Van Groeningens letterkundige arbeid ook zijn journalistieke producten en de bewaard gebleven correspondentie bevat, opent met die eerste, en achteraf ook enige, roman: Martha de Bruin. 

Al tijdens het schrijven daaraan besefte Van Groeningen dat hij zijn ambitieuze plan niet zou kunnen volvoeren. Een zwakke gezondheid stond hem in de weg. In een bespreking van het postuum uitgekomen Een nest mensen, een bundel korte schetsen, in De Hollandsche Revue van augustus 1896 – hoewel het stuk, dat behalve een recensie ook een in memoriam voor de dan tweeëneenhalf jaar eerder gestorven schrijver is, niet is ondertekend, valt met stelligheid aan te nemen dat het van de hand van Frans Netscher is, die Van Groeningen in 1888 had geïntroduceerd bij Willem Kloos – lezen we: 

Eenige avonden later kwam Van Groeningen, en ik hoorde hem in de gang al met mijn huisjuffrouw spreken: een zwaar, hol, diep geluid, de.stem van een grooten, zwaren kerel, maar met iets gedempts, iets doods, als uit een houten, holle borstkas. Een oogenblik daarna stond hij bij mij binnen. Geheel een andere verschijning, als ik gedacht had. Hij was niet groot, benig, zwak, met een ongezonde kleur, groezelig als door bedompte lucht, kwaad bloed, stuursche onvoldaanheid. Zijn hoofd was nogal groot, met een laag voorhoofd, bonkig, benig, en de oogkassen waren groot en hol onder een uitstekend voorhoofdsbeen, terwijl om oogen bruinige, blauwachtige kringen waren. Met zijn smalle afloopende schouders, nauwe borstkas, en gebogen rug gaf hij den indruk van ziekelijkheid, van slechte longen, van een zwak, ongezond lichaam.

 Na het voltooien van Martha de Bruin in 1889 besloot August van Groeningen nooit meer te zullen schrijven. 

Was het zwakte, was ’t ontmoediging, was ’t een stil bewustzijn zelf toch niet lang genoeg te zullen, kunnen leven om ooit iets tot stand te brengen, de deceptie en de walging, die den invretenden Dood vooraf gaan? […] En hij heeft woord gehouden. Van dien tijd af tot zijn overlijden heeft hij niets meer geschreven. Hij had zichzelf leeren zwijgen: zijn stroefheid tegen de onrechtvaardigheid der dingen was in een reine berusting overgegaan; hij was boven de zaken komen te staan en hij had ’t zóó ver gebracht, dat hij over ze heen zag, naar de andere zijde wachtende was. In een filosofische berusting heeft hij toen het leven uit zich laten gaan.

Behalve uit zijn roman en de in Een nest mensen verzamelde schetsen, blijkt de sociale instelling van Van Groeningen uit zijn journalistieke werk. In 1889, zijn vruchtbaarste jaar, levert hij een aantal bijdragen aan het Radicaal Weekblad, dat onder leiding stond van de socialist Joan Nieuwènhuis. De samenwerking duurde echter niet lang, Nieuwenhuis en Van Groeningen kregen ruzie en met dezelfde berusting waarmee hij besloot niet meer aan literatuur te doen, gaf hij ook de politiek eraan.

Van Groeningen laat zich kennen als een zeer sociaal bewogen mens, in dit opzicht een leerling van Multatuli. Door zijn eigen afkomst, én door zijn werk als onderwijzer was hij zeer goed op de hoogte van de armoede die het volk leed. De Hollandsche Revue: 

Zijn school stond in de Lombardstraat, een smalle, lange, tusschen hooge huizen en winkeltjes geknepen straat in de oude stad; dicht bij de Groote Kerk. ’t Was een meer of min armoedige buurt, met steegjes en hofjes en kroegjes met rinkelende belletjes, bewoond door werklieden, sjouwers, waschwijven en zwervers zonder noembaar bestaan. De straat is meestal grijs, zonder zon, en blijft na regenbuien lang nat; schreeuwende kooplui met handwagens gillen er doorheen; kinderen speelen er over de straat, en in de hofjes pikkelen kippen onder droogende wasschen op touwen. 

Rotterdam anno 1888. In deze troosteloze omgeving deed Aug. P. van Groeningen zijn werk, hier deed hij ook de inspiratie op voor zijn schrijverij. Dat hijzelf meeleed met de armoedzaaiers die de arbeiderswijken bevolkten kan aan de hand van zijn literaire en journalistieke (neven)arbeid moeiteloos en ondubbelzinnig worden vastgesteld, evenals het feit dat de neerslachtige persoon die hij van nature was door de grauwheid van het bestaan nóg somberder en neerslachtiger werd. Het was omdat hij voelde dat zijn geschrijf nutteloos was, dat niemand er beter van werd, dat hij de pen niet meer aanraakte. 

Zo liet August Pieter van Groeningen héél weinig na (zijn Volledig werk telt, inclusief de verspreide stukken en de correspondentie, 432 bladzijden). Zijn werk is niet geheel van feilen vrij, maar het hield een belofte in voor de toekomst, een belofte die, helaas, nooit vervuld zou worden.

Frank van Dijl

Aug. P. van Groeningen – Volledig werk. Bezorgd door Eep Francken. G.A. van Oorschot.

Deze beschouwing stond eerder in Het Vrije Volk, 8 april 1978.

2